Startpagina > Wandelen > Via Gulia
> Wandel je van de Zyklopensteine nog even wat meer noordoostelijk dan valt er nog meer te ontdekken...
De jonge Geul als beek te Hauset
Hitler's Siegfriedlinie
>
De 'drakentanden' van gewapend beton (Höckerlinie) werden aangelegd rond 1938 -'39 als onderdeel van de militaire grensversterking Siegfriedlinie, ook bekend als de Westwall. Die Siegfriedlinie is maar liefst 630 km lang en was een Duits antwoord op de Franse Maginotlinie. Ze bestond uit ondermeer kazematten en deze drakentanden, die bedoeld waren
als antitankverdediging. Hier in de omgeving van Aken volgt de Siegfriedlinie een parallel traject met de grens. Voor één zo'n kilometertje drakentanden was zowat 2000 kubieke meter beton nodig en 104 ton ijzer. In de aanloop naar WO II en tijdens de oorlog heeft deze verdedigingslijn geen belangrijke rol gespeeld. In 1944 dienden de kazematten wel voor de troepenreorganisatie van het teruggeslagen Duitse leger. Kort na het einde van WO II werden grote delen van de Siegfriedlinie ontmanteld, op een aantal van deze draketandenformaties na. Vandaag zijn het merkwaardige restanten van een inmiddels verouderde oorlogsstrategie.
Grensovergang Köpfchen
> Deze omgeving vormt al sinds de middeleeuwen een grenszone. Oude Boergondische grenspalen enerzijds en grenspalen van de Vrijstaat Aken vormen daar tot vandaag het bewijs van. De stad Aken ligt op slechts enkele kilometers meer noordelijk. In de twintigste eeuw was Köpfchen de belangrijkste grensovergang tussen België en Duitsland, er werkten alleen al aan Belgische zijde hier tientallen douaniers en declaranten.
> Die hoofdrol van Köpfchen werd voor een groot deel overgenomen door grensovergang Lichtenbusch / Eynatten,
toen eind jaren '60 de autosnelweg E40 werd doorgetrokken naar Aken. Sluiting van de kantoren van grensstation Köpfchen kwam in 1995, als gevolg van het Schengenakkoord. De volgende jaren vielen de gebouwen ten prooi aan vandalisme. Rond 2000 werden de douanegebouwen gekocht door de gemeente Raeren, die ze verpachtte aan de culturele vereniging KuKuK ('Kunst und Kultur in Köpfchen'). De gebouwen werden opgewaardeerd en sindsdien vinden er regelmatig culturele evenementen plaats.
> Bij het vijvertje lopen we verder over de bosweg die verderop naar rechts draait en langs het Fluxysstation komt. Hier ligt de officiële start van Via Gulia, gemarkeerd met info- en afstandenborden van de wandelroute. Ze vertellen je dat het van hier 20,3 km is tot de Nederlandse grens en 52,8 km tot de monding van de Geul in de Maas. We zijn er klaar voor.
> Ondertussen is het beginnen regenen, de omgeving ziet er zo nog groener uit. We bereiken een asfaltweg, rechts en op het kruispunt dadelijk nogmaals rechts (Gosterd). Na 250 meter De Geul over en links, de Göhlstrasse in. Die komt een goeie 200 meter verder uit op de Kirchstrasse. We zijn op dat punt (restaurant 'Zur Geul') kort bij het centrum van Hauset maar lopen er niet door. Hauset is een dorp van de gemeente Raeren.
> Op deze T-kruising kort naar rechts. Even opletten, bij de bushalte neem je een paadje links langs de Geul en rond een vijver. Makkelijkst hier is om de witrode tekens van GR 563 te volgen. Je bereikt een weiderand. Vroeger liep het pad door een reeks hekjes dwars door de weiden. Er is nu een nieuw graspad aangelegd tussen weide en struweel, zodat de hekjes er wat overbodig bij staan. Op een veldweg rechtsvoor en dalen tot bij de Kupfermühle (oude watermolengebouwen) op de Geul.
> We zijn nu 5 km ver op Via Gulia. Over de Geul dadelijk links en stijgen naar een woning. Daar linksvoor en wat verder ga je verder stijgend dwars over een weide via hekjes. Bij de bosrand hogerop moet je weer een hekje vinden.
> Het regent nu gezapig door en de passage over nat grasland is niet meteen van aard om met droge voeten te eindigen. In het bos links volgen bij een padsplitsing, dalen naar de Geul en deze even stroomopwaarts volgen. Over de brug rechts stijgen op een geasfalteerd wegje. In een bocht van deze weg, bij een kruis, volgen we niet langer de witrode markering van GR 563, deze loopt immers links weg van de Geul naar Astenet. We vervolgen rechtdoor op een graspad en lopen verder een weide in die ons onder de Hammerbrücke brengt, een spoorviaduct boven de Geulvallei.
> Verderop komen we langs een afgelegen camping. Ze lag er lange tijd verwaarloosd bij maar lijkt de laatste jaren weer opgewaardeerd te zijn als natuurcamping, met name voor wandelaars en fietsers. We bereiken een asfaltweg en blijven in de vallei van de Geul. Waar er een weggetje van links bijkomt kan je aan je linkerzijde iets achterin nog een tunneltoegang opmerken die deel uitmaakte van het gangenstelsel van de lood-en zinkmijnen van Fossey.
Hammerbrücke
> Het viaduct over de Geulvallei tussen Astenet en Hergenrath maakte deel uit van de eerste internationale spoorverbinding tussen Antwerpen en Keulen, vertelt een informatiebord dat bij het iets meer dan 200 meter lang spoorviaduct 'Hammerbrücke" staat. Een eerste viaduct werd hier dan ook al opengesteld in 1843. Er werd twee jaren aan gebouwd. Het ging snel in die tijd, de eerste spoorverbinding op het Europese vasteland (Brussel - Mechelen) opende amper 8 jaren eerder. In die tijd maakte dit gebied nog deel uit van Pruisen, trouwens het hele gebied waar we tot nu wandelden vanaf de Geulbron werd pas in 1920 Belgisch.
> Loop even verder over het asfaltwegje, Chemin de Marteau. Neem na een goeie 100 meter een bospaadje rechts dat naast de asfaltweg maar korter bij de Geul loopt. De plantengroei hier aan de Geuloever is bijzonder. Grote delen zijn bedekt met woekerende maagdenpalm, maar de verrassing hier half mei was zeker de aanwezigheid van knikkend nagelkruid. In Vlaanderen komt deze plant niet voor, in Wallonië is hij op enkele zeldzame plaatsen te zien, zoals in de Gaume en hier ook. Misschien ontdek je ook wel gele monnikskap, al even zeldzaam.
> Weer op de asfaltweg komen we even later bij een vijver (privé) uit op de drukke Astener Strasse naar Hergenrath. Rechts hier.
Ik raad voor het volgende deel zeker aan om de beschrijving van de VAV te volgen, deze vermijdt de passage naar Hergenrath over asfalt en de lange doortocht door Kelmis over asfalt. Tenzij je het interessante museum van Kelmis wil bezoeken (beperkte openingsuren) of inkopen moet doen of in een café binnen lopen zou ik dus de beschrijving van de Valkenbergse Alpenvereniging volgen, die de Geul (trouwer) blijft volgen. Die beschrijving neemt op de Astenerstrasse in het eerste wegje links een paadje en loopt richting Eyneburg Schloss (Emmaburg) via stegelkes en weiden. In dit etappeverslag volg ik ditmaal verder Via Gulia zoals gemarkeerd.
> De Astenerstrasse op langs de vijver (restaurant-café onderweg) en tot het centrum van Hergenrath. Op de rotonde links de verkeersweg naar Kelmis op, Altenbergerstrasse. Waar deze weg na 550 meter een bocht naar links maakt, vervolg je parallel rechtsVOOR over een asfaltweggetje dat al snel een steenslagpad wordt. Dit is het enige mooie deel van Via Gulia naar en door Kelmis. Voor jou spreidt zicht een mooi uitzicht uit over de voormalige 'hoofdstad' van ministaatje Neutraal Moresnet, Altenberg ofte Kelmis.
> Je daalt, verderop zelfs over een trappenpad, naar een wijkweg. Beneden na de trappen links de geasfalteerde wijkstraat op en op het einde rechts, opnieuw de Altenbergerstrasse in. Je stijgt wat en passeert een drietal kruispunten. Steeds rechtdoor, de straatnaam is nu Maxstrasse en komt langs het Museum van het Geuldal en Neutraal Moresnet (interessant maar opgelet, beperkte openingsuren!).
> Vlak voor de Geulbrug in Kelmis nemen we het kiezelwegje dat stroomafwaarts de Geul volgt. Dit is de oude bedding van spoorlijn 39A die naar Moresnet loopt.
Göhltalmuseum Kelmis
> Veel aandacht in de vitrinekasten voor de geschiedenis van het ministaatje Neutraal Moresnet en de zinkertsontginning. Allerlei merkwaardige details komen aan bod, zoals de grenspalen, het vierlandenpunt, de postzegels en de poging om van Neutraal Moresnet een Esperantostaat te maken. De zinkertsonginning komt aan bod in oude prenten en foto's en je kan er ook foto's van typische zinkplanten bekijken, interessant om deze te kunnen determineren verder langs Via Gulia.
> Het museum functioneert tegelijk wat als VVV en je kan er allerlei streekpublicaties of kaarten kopen. Op weekdagen open in de voormiddag, op woensdag de hele dag met een middagonderbreking en tijdens het weekend 's namiddags.
> De kronkelende Geul loopt wat later verder weg van het spoortraject. Op het punt waar de Geul weer de spoorlijn kruist (bij een brug) raden we aan om Via Gulia te verlaten en de beschrijving van de VAV te volgen. Via Gulia loopt verder over de spoorlijnbedding, daarna over een asfaltweg tussen enkele oude industriële gebouwen, onder het spoorviaduct van Moresnet door en bereikt dan het dorp Moresnet.
> De suggestie van VAV is leuker: Vlak voor de brug over de Geul verlaat je de spoorbedding en wandel je rechts langs de Geuloever. Rechts in het dennenbosje ontdekte ik een zeer merkwaardig groepje 'albino-planten'. Een soort 'alien-plant' die ik nog nooit eerder had gezien. Foto's genomen en later thuis wat in boeken over wilde planten gebladerd. Het is blijkbaar de redelijk zeldzame bleke schubwortel, een plant die geen groene bladeren produceert omdat hij volledig parasiteert op stoffen van andere planten. In hetzelfde dennenbosje stonden nog een drietal groepjes van bleke schubwortel.
> Blijf bij de rechteroever van de Geul en via een reeks hekjes, weiden en oeverpaden wandel je richting enorm spoorviaduct. Een tof pad, waarom volgt Via Gulia dat niet? Van het viaduct van Moresnet zie je maar een stuk, het is eigenlijk nog veel langer. Langs sportvelden en onder het viaduct loop je over een buurtweg het dorpscentrum van Moresnet binnen.
Spoorlijn 39A
> Dit was een zeer korte spoorlijn, amper 3 km lang. Ze verbond de zinkmijn en -fabriek van Neutraal Moresnet (Kelmis) met de spoorlijn Antwerpen - Aken. Een spoorlijn die in 1871 opende voor goederenvervoer maar tijdens het interbellum reden er toch ook reizigerstreinen doordat Kelmis inmiddels was uitgegroeid tot veel meer dan een industrieel gehucht. De lijn sloot in 1952 en heeft nu een bedding van fijne kiezel, die zowel wandelaars als fietsers kan plezieren.
> Het dorp Moresnet behoort niet tot Kelmis maar maakt nu deel uit van de gemeente Plombières. In het dorpscentrum van Moresnet kiezen we alweer voor een alternatief traject. Via Gulia volgt richting Plombières een buiten dienst gesteld deel van spoorlijn 39 (Welkenraedt - Plombières - Aken) maar ik kies voor het VAV-traject door weiden langs de oever van de Geul. Op de hoofdstraat door Moresnet zoek ik dus de rechteroever van de Geul op bij het oorlogsmonument.
> Het traject tussen Moresnet en Plombières is ook weer zeer bijzonder. De Geul loopt door een groene vallei, wandel gewoon over een weide langs de oever. Rechts merk je begin mei ongetwijfeld al de overwoekerende begroeiing op van daslook. De sterk ruikende bloemen van daslook kleuren de boshellingen wit. Even later lopen we langs de Geul echt door een zee van daslook. Die overvloedige bloei loopt tot een bakstenen spoorbrug over de Geul.
> Net voor de brug gaan we rechts omhoog om op de spoorbedding te klimmen. Rechts dan om op de bedding Via Gulia weer even te vervoegen.
> Al na enkele minuten verlaat ik weer de spoorbedding en Via Gulia. Net voorbij een brug over de Geul (die we rechts van ons houden) lopen we rechts een natuurgebied in. Al snel zie je in de verte voor jou de terrilresten van de oude lood- en zinkmijn van Bleyberg. Er is een keuze van paden door het vrij open natuurgebied, wandel gewoon richting de mijnstortbergen.
> Je loopt hier één van de merkwaardigste natuurgebieden van België in. De storthopen en uitstoot van de oude zink- en loodmijnen waren destijds zo vervuilend dat 'normale' plantensoorten hier allemaal aan kapot gingen. Vandaag bieden de terreinen ruimte voor enkele plantensoorten die haast nergens anders groeien.
Viaduct Moresnet spoor 24
> Liefst 1120 meter lang is het viaduct van Moresnet. Het overspant het Geuldal. Een eerste viaduct werd gebouwd onder Duitse bezetting tijdens Wereldoorlog I. Door de neutrale positie van Nederland tijdens de oorlog moest het treinverkeer naar het bezette België over een alternatief spoortraject gebeuren, dat Nederland vermeed. Daarom werd een spoorlijn aangelegd van Aken naar Visé en Tongeren. Uiteraard had de Duitse bezetter ook strategische bedoelingen met de constructie van deze spoorlijn. De Duitsers konden zo snel troepen en materieel aanvoeren naar de oorlogsfronten, vooral voor het front aan de IJzer.
> Wandelend langs of door het natuurgebied van Plombières heb je de keuze:
1° Ofwel via de rechteroever van de Geul dwars door het natuurreservaat. In dat geval passeer je de storthopen in wijzerzin, wandel dan even de Geul over om naar het verdwijngat te kijken en keer kort op je stappen terug om rechts van de berg waar het hol in zit kort te klimmen naar een asfaltwegje waar je links gaat en zo wat verderop in Plombières Via Gulia weer vervoegt.
2° Je kan natuurlijk ook gewoon Via Gulia volgen langs de linkeroever van de Geul.
> Bij het natuurreservaat zijn we 15 km ver op Via Gulia. Wil je meer weten over de ertsontginning van Plombières en de zinkflora dan zou je ook het kleine museum kunnen bezoeken (beperkte openingsuren! Weekends juli/aug/sep 10-18u). Volg hiervoor de oude spoorlijn verder langs de achterkant van het moderne gemeentehuis van Plombières (site van het oude treinstation) en nog 150 meter verder zie je links een alleenstaand huisje in het groen, dat is het museum.
> We pikken weer aan in het oude centrum van Plombières.
> In het centrum (café) bij de rare kerk van Plombières lopen we even rechts over de hoofdweg, richting Gemmenich. Dalen, een bocht volgen in deze weg en dan bij een bos links de Rue de Gensterhof langs de bosrand nemen. Dit wegje gaat voorbij bewoning over in een graspad en loopt weer naar de Geul die we oversteken. Naar en in tegenwijzerzin rond een afgelegen woning in het Geuldal. Ook hier is weer een leuker wandelalternatief ipv Via Gulia, waarbij je veel korter bij de Geul blijft.
> Dit alternatief loopt als volgt: Op een asfaltweg gekomen na de afgelegen woning even links en dan bij een waterzuiveringsinstallatie links een pad nemen in wijzerzin rond de installaties en langs een gekanaliseerde Geul. Daarna volgt een traject dwars door weide, soms door hekjes. Een vrij lange tijd loop je zo van weide naar weide over dit erg stille deel van de Geulvallei. Op sommige weiden kan het gras flink opgeschoten zijn 's zomers en de passage nogal wild. Hou de bosrand altijd op zowat 20 à 30 meter rechts. Wat verder komen de witrode tekens van GR 563 ons vervoegen van links en nog wat verder - als we weer een wegje bereiken - komt ook Via Gulia er weer bij van rechts.
> Een goed pad langs een nogal moerassig gebied met vijvers komt uit op de verkeersweg Gemmenich - Sippenaeken (bushalte). Links, hoog op een heuvel, ligt de kerk en het centrum van het Waalse dorp Sippenaeken. Korterbij loopt de Geul met een stuw op de loop. Je kan hier even tot bij de Terbruggenmolen wandelen.
Plombières - Bleyberg
> In het oude centrum van Plombières valt je zeker de rare vorm van de kerk op. Ze werd gebouwd rond 1935 door architect Burguet en is gebaseerd op een oosters-byzantijnse kerk. De vorm is octagonaal en binnenin zijn er mooie brandramen.
> De hoofdroute van Via Gulia loopt over de verkeersweg richting Sippenaeken. Bij de oude wegwijzer rechtsaf en bij de kerk rechts een wegje naar de camping nemen. Er is een taverne in het centrum van Sippenaeken. Dit verfranste dorpje behoort tot Wallonië, er zijn faciliteiten voor duitssprekenden. Je kan hier zo kort bij de grenzen met Vlaanderen en Nederlands Limburg echter ook in het Nederlands terecht.
> Als we bij de camping nogmaals de Geul oversteken, zijn we 20 km ver op Via Gulia. Tijd om deze mooie en bijzonder gevarieerde etappe af te sluiten net voor we de Nederlandse grens oversteken. Op het trekkersveld van camping 'Au vieux Moulin' vind ik een zee van groen gras om mijn tent te prikken.
> Verder stijgen door Neu Moresnet naar de grote weg Herve - Kelmis - Aken. We zijn daar in het centrum van Neu-Moresnet, dat naar links naadloos overloopt in voormalig Neutraal Moresnet of Kelmis. Links dus op die verkeersweg en we zullen hem helaas over 1,3 km volgen langs de grens van ex-Neutraal Moresnet. Onderweg winkels, supermarkten, banken, café's, bedrijven en bushaltes.
> Ter hoogte van de Lidl zijn we 10 km ver op Via Gulia. Verder dalen tot bij de brug over de Geul. Vlak voor de Geulbrug verlaat je de verkeersweg.
> Heb je tijd wandel dan over de Geulbrug, neem het eerste wegje links (Schnellenberg) over 200 meter en ga dan het wegje links op over 100 meter. Zo bereik je de Sint-Rochuskapel. Het is een 17de eeuwse kapel met een al even oude linde. Indien je de Geulwandeling van de Valkenbergse Alpenvereniging volgde vanaf Hergenrath, dan kom je hier sowieso langs.
> Op deze eerste etappe zoeken we naar de Geulbron in de bossen bij de Duitse grens. We volgen de Geul als snel beekje naar Hauset en door weiden onder de Hammerbrücke. In Kelmis vertelt het museum van het Geuldal de geschiedenis van het rare ministaatje Neutraal Moresnet. In Moresnet domineert het indrukwekkend spoorviaduct het landschap en kort voorbij Plombières kan je één van de boeiendste natuurreservaten van België ontdekken.
Op de storthopen van de oude zinkmijnen tiert het zinkviooltje welig. Draaihekjes door weiden leiden ons naar Sippenaeken waar we op de grens met Nederland een punt zetten achter deze eerste etappe die vooral door een stukje Duitstalig België loopt.
> Zoals op pagina met wandelinfo bij 'openbaar vervoer' beschreven kan je het startpunt van Via Gulia bij de bron op twee manieren bereiken, via de grens bij Lichtenbusch ofwel via de grensovergang Köpfchen. Hoewel ik via Lichtenbusch de tocht ben begonnen is achteraf bekeken Köpfchen interessanter om te starten, temeer daar er vanalles interessants in de buurt ligt. Voor we er dus de pas inzetten even wat info over de aanlooproute vanuit Köpfchen.
> Ongeveer 150 meter ten noordwesten van het oude tolhuisje van Köpfchen tot 1 km meer westelijk is de oude Westwall van Hilter's verdedigingslinie nog vrij intakt bewaard. Zoek een pad dat westelijk loopt om de restanten te ontdekken.
> Terug naar het tolhuis bij grensovergang Köpfchen.
> OK, terug van de verkenningen langs de Westwall (Siegfriedlinie). Tijd om op zoek te gaan naar de bron van de Geul! We nemen weer het wachthuisje van het douanekantoor Köpfchen als uitgangspunt. Wandel op de N68 zowat 30 meter richting Aken en neem daar het wegje rechts. Dat verhard wegje gaat na 150 meter over in een veldweg en draait verderop naar rechts. De weg vormt vanaf die draai de grens tussen België en Duitsland. Als je bos inkomt bij grenspaal 955 let dan op een merkwaardig stenen kruis en op de al even merkwaardige dikke zandstenen links, de Zyklopensteine ('cyclopenstenen').
Keverkruis
> Op 7 mei 1802 was de 61-jarige Edmund Kever uit Raeren met paard en kar onderweg met een lading gelooide huiden voor een lederfabriek. Een andere bron vertelt dat hij een lading eikschors vervoerde. Feit is dat de voerman hier in het bos werd overvallen en vermoord door rovers. De tekst op het stenen kruis leest als volgt "Anno 1802 den . Mai ist der ehrsame Bürger Etmund Kever de Raeren jammerlich umgebracht worden R.I.P. J:P:4" .
Zyklopensteine
> De 'cyclopenstenen' zijn resten van een uiteengevallen zandbank, die mogelijk werd gevormd ongeveer 85 miljoen jaren geleden. De formatie bestaat uit een vijftigtal blokken die zijn samengesteld uit kwartsiet en zand. Erosie zorgde voor afschuring en rondere vormen. De rare gigantstenen vormden uiteraard stof voor legendes maar of ze hier werden gedumpt door cyclopen is wel zeer twijfelachtig...
Landgraben Aachen
> De landgraaf aangelegd rond de oude Vrijstaat Aken, vormde een grensafbakening en -afsluiting. Een greppel van een meter diep en twee meter breed, afgelijnd met haagbeuk. Deze landgraaf werd wellicht aangelegd rond 1611, bij de afbakening van de Pruisische grens met het Boergondische Rijk. Tot diep in de 18de eeuw werd de grenslijn onderhouden. Dat onderhoud bestond vooral uit het regelmatig snoeien en inkorten van een dicht aangeplante beukenhaag tot op ongeveer 2 meter hoogte. Zo vormde de beukenhaag een soort dichte versperring met hier en daar gecontroleerde doorgangen. De beuken worden al lang niet meer gesnoeid sinds die grens overbodig werd. Het resultaat is dat ze opschoten uit hun oude geknotte stammen. Vele van die opgeschoten haagbeuken zijn inmiddels omgevallen of kapot door ouderdom, je kan toch ook nog prachtige exemplaren aantreffen en de oude landgraaf is nog duidelijk herkenbaar.
Bron(nen) van de Geul
> Mooi plaatje die bron. Kwelwater vormt er een vijvertje waarvan de overloop het begin van een beek wordt. De Geul heeft echter niet één bron, maar verschillende. Rond het gebied waar nu de autosnelweg E40 doorloopt ontspringen ook andere bronnen. Vandaag wordt het vijvertje waar je langs komt meestal als de bron opgegeven maar vroeger werd vooral de kwelbron in de kelders waarop boerderij Todtleger is gebouwd als dé bron vermeld. Die boerderij bevindt zich een eind verderop en uit de gebouwen vloeit een smal gekanaliseerd beekje, 'een geultje' zeg maar, om in de sfeer te blijven. Maar de Geul heeft dus nog een paar andere bronnen die als een geaderd netwerk snel samenvloeien tot één stevige beek, de Geul.
Tunnel 'Luise'
> Deze 633 meter lange tunneluitgang van de zinkertsontginning Fossey, die zich aan de andere kant van de heuvel achter de tunnelmond bevond. De mijn was in bedrijf tussen 1878 en 1923. Een meter of 5 van die tunnel is nog open gelaten, daarna is hij om veiligheidsredenen dicht gecementeerd. De mijn verderop bestond uit de ontginning van dagzomende lagen en ondergrondse galerijen. Via de tunnel werd het erts uitgevoerd. Wellicht werden daarvoor ook kinderen aan het werk gezet omwille van hun kleine gestalte. Aan deze tunnelmond begon dan een smalspoorlijn waarover paarden de vracht richting Kelmis verder trokken voor verwerking daar in de fabriek. De tunnel diende ook voor afwatering van overtollig grondwater naar de Geul. De tunnelmond werd rond 2005 gerestaureerd.
Lood-en zinkontginning Bleyberg - Plombières
> Mogelijk werden hier in de streek al tijdens de Romeinse periode ertsen gewonnen. Zeker is dat hier in de middeleeuwen al minstens sinds de 14de eeuw mijnbouw plaats vond in de streek. De namen Braesberg en Bleyberg zijn terug te vinden in oude documenten. Exploitatie van zware metalen ging eeuwenlang door, soms onderbroken door oorlogen met verschuivingen van eigendommen door machtsoverdrachten die daarvan het gevolg waren. Wat hier over de eeuwen heen een constante is bij het opdelven en exploiteren via ondergrondse mijngangen en -schachten is de strijd met water. Niet enkel snel doorsijpelend water via kalkhoudende lagen maar ook door de sterke debietverschillen van de Geul, die wel eens vaker uit haar oevers treed en zo de mijngangen onder water zette. Eind 17de eeuw lijken de mijnaktiviteiten helemaal stilgevallen.
>Een nieuw mijntijdperk breekt aan onder het Hollands regime. James Cockerill, broer van John, die in Luik volop de staalnijverheid industrialiseert, vraagt in 1825 een concessie aan Koning Willem I om de loodaders ter exploiteren te Plombières (toen nog Bleyberg). Ongetwijfeld moet de industrialisatie van de zinkmijn te Kelmis een inspiratiemotor zijn geweest. Toch lijkt het erop dat er de eerste jaren weinig gebeurde, buiten onderzoek naar gunstige delfplaatsen, het afbakenen van het ontginningsgebied en het inrichten van werkplaatsen en terreinen.
> Pas na 1845 kwam de ontginning weer echt op dreef met de oprichting van de 'Compagnie des Mines et Fonderies du Bleyberg', door de kinderen Cockerill en banken. Er wordt tevens een concessie gevraagd voor zinkwinning in 1856, aangezien lood- en galmeilagen nogal verstrengeld voorkwamen. Na eeuwen ambachtelijke ertswinning werd de ontginning zo op industriële schaal aangepakt. Wat niet was veranderd, was het wispelturig karakter van de Geul. Er werd tot maar liefst 160 meter diep gegraven nu en toen in 1855 de Geul buiten haar oevers trad tijdens een hevig onweer, kwamen de mijngangen onverwacht onder water. 7 mijnwerkers overleefden dat niet.
> Het werd duidelijk dat bij verdere uitbreidingen van de mijn de Geul nog meer problemen zou opleveren. De loop van de Geul werd daarom in de jaren '60 van de 19de eeuw ingrijpend veranderd. De Geul werd verbreed, recht getrokken, gekanaliseerd, de bedding werd verhard (tegen doorsijpeling) en er werd een spectaculaire kunstmatige doorgang in een berg gemaakt, waardoor de Geul over 100 meter ondergronds gaat!
> De tweede helft van de 19de eeuw is de gouden tijd voor de lood- en zinkontginning in en rond Bleyberg. Er wordt steeds maar uitgebreid met nieuwe concessies, de nieuwe spoorlijnen ontsluiten de mijn en zijn fabrieksprodukten ook vlot met de buitenwereld en er wordt zelfs buitenlands erts aangevoerd voor verwerking in de fabrieken.
> Er was ook een keerzijde aan het plaatje. De lood- en zinkindustrie zorgde voor een enorme vervuiling en uitstoot van zware metalen en gassen. In die tijd zou daar niet om worden gemaald was het niet dat het zo erg werd dat op boerderijen gewassen, fruitbomen en zelfs weidegras er kompleet aan kapot ging. Veesterfte was een ander concreet gevolg. Van onderzoek op de schadelijke effecten op mijnwerkers en omwonenden was toen nog geen sprake. De rechtbank van Verviers verplicht de mijnmaatschappij wel om de schade aan de omwonenden te vergoeden en de uitstoot van schadelijke stoffen in te dijken.
> In het begin van de 20ste eeuw wordt Bleyberg steeds meer afhankelijk van buitenlands erts. De onderbreking van de aktiviteiten tijdens WO I deden geen goed en na de oorlog kon Bleyberg niet meer concurreren tegen buitenlandse ertsfabrieken die met gemoderniseerde installaties werkten. In de jaren '30 van de twintigste eeuw komen de mijn- en fabrieksinstallaties zowel boven- als ondergronds kompleet in verval.
Zinkflora natuurreservaat Bleyberg - Plombières
> De oude stortgebieden van ertsslakken trekken sinds de ontginningen een unieke flora aan. Waar 'normale' planten massaal kapot gaan door de vervuiling met zware metalen, duiken enkele bijzondere plantensoorten op en zo is een oude stortplaats een waardevolle natuurbrok geworden. Het gebied van 11 ha hier wordt beheerd door de vzw Ardenne et Gaume, een Waalse natuurvereniging. Ietsje afgelegen van de storthopen bestaat het onderhoud vooral in maaien van grasland, wat in de lente en zomer resulteert in een erg gevarieerde bloemenweide. Achter de storthopen ligt een langgerekte vijver, eigenlijk de oude loop van de Geul, voor die werd herlegd en gekanaliseerd in de jaren '60 van de 19de eeuw. Op en rond de storthopen vind je de interessantste planten, soorten die in dit 'maanlandschap' kunnen overleven. De omgeving trekt ook aparte insekten en vlinders aan.
Zinkviooltje
> Superster van de zinkflora is ongetwijfeld het zinkviooltje (Viola calaminaria). De wetenschappelijke naam verwijst naar La Calamine (Kelmis), de plaats waar dit unieke gele viooltje het eerst werd bestudeerd. Het komt praktisch enkel in België voor, in 3 regio's, nergens anders ter wereld. De groeigebieden zijn oude zinkterreinen van Vieille Montagne (tussen Trooz en Chaudfontaine, te Angleur en in de Geulvallei te Kelmis / Hergenrath) en hier in de Geulvallei te Plombières.
> De plantjes vonden in de sterk vervuilde zinkgronden vanaf de 19de eeuw een uitstekend habitat. Het zinkviooltje is natuurlijk niet zomaar plots ontstaan met de industriële mijnbouw, het bestond al veel langer. Eén theorie is dat het plantje sinds de ijstijden aanwezig was op de Schlangenberg bij de stad Aken. Daar dagzomen immers zinklagen. Van die primaire plaats moet het zijn terecht gekomen op de huidige Belgische (secundaire) vindplaatsen.
> Aangezien bij overstromingen de Geul vervuild afvoerwater en sedimenten kon afzetten stroomafwaarts, dook het zinkviooltje ook op langs de Geuloevers over de Nederlandse grens, dat zijn tertiaire vindplaatsen. Door de stopzetting van de mijnaktiviteiten in de
Geulvallei sinds half 20ste eeuw, lijkt het zinkviooltje er echter sterk op achteruit te gaan over de Nederlandse grens. Ik heb alvast geen zinkviooltjes gezien daar, ze daar bijna uitgestorven op een paar toefjes na in een natuurgebiedje tegen de Belgische grens.
> Waar het zinkviooltje voorkomt kan je het massaal aantreffen. Tussen april en september zal je geen moeite hebben om het te vinden op de zinkterreinen van Plombières, het is er omnipresent. de kleur kan verschillen van bijna zuiver geel over wit-geel tot blauw-geel.
Terbruggenmolen
> De molen heeft een relatief jonge geschiedenis (1801). Er werden graansoorten gemaald. In 1984 werd hij buiten dienst gesteld. De restauratie werd mede mogelijk door het Via Gulia-Interregproject. Er werd ondermeer een vistrap voorzien, zodat vis weer vlotter kan passeren door het Geulwater ter hoogte van de molen.
> De oude naam van Plombières is 'Bleyberg'. Vreemd genoeg wilden in de periode na WO I de inwoners van die naam af, hoewel hij eeuwenoud was. De verklaring voor die naamsverandering is wellicht te vinden in de verfransing die het dorp onderging begin 20ste eeuw en misschien was 'Bleyberg' wat moeilijk uit te spreken? Bovendien was er na de ontberingen tijdens WO I (en ook al daarvoor zoals blijkt uit de geschiedenis van het naburige Kelmis) eerder een antipathie tegenover Pruisen en Duitsland en een sympathie voor België. In 1919 veranderde Bleyberg dus in de nieuw gekozen naam Plombières (plomb= Frans voor 'lood')
> De bouw moest snel gaan, er werden Russische krijgsgevangenen gebruikt die in miserabele omstandigheden het viaduct bouwden in 1917. Iets meer dan een jaar lang werd er dag en nacht doorgewerkt. Het resultaat van die slavenarbeid resulteerde niet enkel in deze enorme overspanning van de Geulvallei maar ook in negen Russische graven op het kerkhof van Moresnet. Tijdens het interbellum vond ook reizigersverkeer plaats op spoorlijn 39, hoewel de verbinding vooral voor goederenverkeer van cruciaal belang is.
> In 1940 blaast de Belgische genie het viaduct op, kort voor de oprukkende nazi's het kunnen innemen. De schade wordt echter snel hersteld door de Duitsers. Bij hun aftocht in 1944 wordt het viaduct weer opgeblazen, met zware verwoesting dit keer, ook aan de dorpswoningen van Moresnet nabij het viaduct. Het duurde 5 jaar vooraleer het viaduct weer was hersteld in vredestijd.
> Spoorlijn 24 staat vandaag bekend als de Montzenroute, omdat Montzen een belangrijk rangeerstation is. Er zijn tussen Montzen en Aken immers relatief steile hellingen op de lijn waardoor al eens extra tractie moet worden voorzien door een andere of een extra locomotief. Deze spoorlijn heeft altijd geconcurreerd met de IJzeren Rijn (via Nederland) voor goederenverkeer van en naar de haven van Antwerpen, de Waalse overheid is om deze reden zelfs ronduit gekant tegen een heropening van de IJzeren Rijn.
> Begin jaren '00 werd het viaduct gemoderniseerd. Goederentreinen kunnen nu sporen over het viaduct tegen 60 km/u, voorheen was dat slechts 20 km/u. De inhuldigingsplechtigheid in 2004 met oa een klank- en lichtspectakel en historische treinen, werd georganiseerd door de vzw Via Gulia en gefinancierd met oa het budget van het Interreg-programma waarmee ook de wandelroute Via Gulia werd gerealiseerd.
> Dat eerste viaduct moet vrij indrukwekkend zijn geweest: een dubbele bogenrij op elkaar van 17 en 13 bakstenen bogen, gebouwd met zowat 8 miljoen bakstenen. Het zag er uit als een Romeinse aquaductoverspanning. Tijdens WO I werd de spoorlijn druk gebruikt door de Duitsers om troepen en oorlogstuig te vervoeren naar de fronten in Frankrijk.
> Bij het uitbreken van WO II wilde het Belgische leger een herhaling van dit scenario voorkomen en werden er genietroepen op af gestuurd om het viaduct te dynamiteren. Dat verliep bijzonder ongelukkig. Bedoeling was om een drietal pijlers op te blazen maar de gebruikte hoeveelheid springstof was zo krachtig dat meer dan de helft van de pijlers instortten. Acht geniesoldaten, die bescherming hadden gezocht achter één van de pijlers, kwamen hierbij om. Slechts één soldaat kon nog levend vanonder het puin worden gehaald. Een hoge tol en een kunstwerk weggeblazen maar de Duiters konden de spoorlijn nu niet benutten. Het viaduct haalde net niet zijn 100ste verjaardag.
> In de loop van 1941 werden Russische krijgsgevangenen gebruikt voor de heropbouw. De overgebleven brugaanzetten werden behouden en met drie nieuwe betonnen pijlers werd een voorlopige constructie gebouwd om een enkelspoor in gebruik te kunnen nemen. In mei 1944 kwamen bij de brug nogmaals 8 soldaten om, ditmaal Duitse door Amerikaanse bombardementen. Er werd echter verder gebouwd aan een viaduct met dubbelspoor. Dat was klaar in de herfst van 1944 maar niet veel later bliezen de Duitsers het viaduct weer op tijdens hun gedwongen aftocht. Kort na het beëindigen van de vijandigheden kwam er alweer een nieuw viaduct. 50 jaar heeft dat derde viaduct het volgehouden.
> Met de plannen voor een HST-lijn naar Aken werd dit derde viaduct als verouderd beschouwd en in 1998 werd het daarom nogmaals opgeblazen. Ook de laatste resten van het eerste viaduct (de brugaanzetten) verdwenen hiermee om plaats te maken voor een moderne constructie van staal en beton. Twee overspanningen van elk 100 meter lengte worden precies in het midden van het dal verbonden en gesteund door één betonnen pijler. Op 1 km in noordelijk richting bevindt zich het treinstation van Hergenrath. Dit station sloot in 1988 maar werd heropend door de NMBS vanaf 2007 om interregionale treinen te ontvangen. Merkwaardig in een tijd waarin al decennia lang enkel over stationsluitingen wordt gepraat.
Bittere veldkers
Langs een picknickbank kort na de start van Via Gulia
Langs de Geul in de omgeving van Hauset
Onderweg naar de Hammerbrücke
Hammerbrücke
Göhltalmuseum
Rochuskapel Kelmis
Spoorlijn 39A, nu RAVeL
Bleke schubwortel
Opgeblazen viaduct in 1944
Straatnaambord te Plombières
Rond 1862 kunstmatig gecreëerd verdwijngat van de Geul
Resten van het oude Geulkanaal bij de mijn
Zinksmelterijen en ateliers van Plombières eind 19de eeuw (postkaart)
Bruin blauwtje
Mijnmuseum van Plombières
Octagonale kerk van Plombières
Alternatief pad door de Geulvallei tussen Plombières en Sippenaeken
Molen Terbruggen
Sippenaeken
Typische zinklflora. Links zinkboerenkers. Midden de zinkblaassilene, een variante van de gewone blaassilene maar dat onderscheid is niet te zien voor de leek. Rechts zinklepelblad. Biologen zullen zeker ook interesse hebben voor zinkveldmuur. De foto's van zinkboerenkers en zinklepelblad heb ik niet te Plombières genomen maar in een ander zinkvegetatiegebied van de streek. Zinklepelblad, zinkveldmuur en zinkschapengras zie je te Plombières wellicht niet.
Deze 3 plantensoorten zijn niet echt zinkplanten, je vindt ze ook in andere milieus maar ze slagen er in om zich redelijk aan de passen aan een omgeving van zware metalen. Links Engels gras maar dit zou wel om een 'zinkvariante' gaan, algemeen komt de soort graag in een zoutrijke omgeving voor maar deze variante heeft zich aangepast aan een zinkbodem. Midden beemdkroon, veel voorkomend en ter plaatse zichtbaar beter bestand tegen zink / lood dan veel andere plantensoorten. Rechts gewone vleugeltjesbloem, kleurt paars of blauw. Waar de gewone vleugeltjesbloem aanwezig is, groeien meestal zeldzame planten. Lijkt zowel te aarden op een zinkbodem als op een kalkbodem.
Natuurreservaat Plombières
Distelvlinder en margrieten
Langs Geul tussen Moresnet en Plombières
Knikkend nagelkruid
Onderweg naar Kelmis
De eerste Hammerbrücke (1843), hier afgebeeld op een 19de eeuwse ingekleurde ets.
> Zoveel interessants te zien hier, zo geraken we nooit op dreef op de Via Gulia. Tijd om nu echt de bronnen van de Geul op te zoeken. Als je ter hoogte van grenspaal 955 het bos inkomt bij de Zyklopensteine, wandel je gewoon rechtdoor. Blijf nu datzelfde weggetje steeds rechtdoor volgen over 700 meter om pas op het tweede kruispunt (ter hoogte van een jagershut) links af te slaan. Je komt even later voorbij de bronvijver van de Geul.
> Nu zijn we echt wel vertrokken over Via Gulia, op naar de Maas! Even de asfaltstraat uit en naar rechts, over een met steenslag verhard pad dat voorbij een picknickbank weer bos in loopt. We kruisen al snel weer het hier gekanaliseerd beekje dat uit de vijverbron van de Geul vloeit en vervolgen over hetzelfde bospad.
Drakentanden van de Siegfriedlinie nabij Köpfchen
Zyklopensteine
> Vrij vlak of licht dalend wandelen en het gaat dus snel vooruit. De Geul ontvangt hier de afwatering van verscheidene bronnen in de buurt en ze groeit nu snel uit tot een stevige beek met snelstromend water. De boorden van de Geul kleuren begin mei wit van look-zonder-look en bittere veldkers. Op een V-splitsing bij een parking links-rechtdoor aan houden. Het steenslagpad gaat over in asfalt en bereikt een kruispuntje. Niet naar de snelweg toewandelen maar westelijk vervolgen over een asfaltweg die langs huizen van Hauset loopt.
> Kruising met de drukke N68 (Eupen - Aken). Nog een paar honderd meter verder over asfalt. Bij bos gekomen let je even op om een paadje links niet te missen. We nemen dit bospaadje en al snel moet je op een punt waar de witrode markering van GR 563 er bij komt, naar rechts gaan. Je volgt hier de ingesneden loopt van een beekje, dit is niet de Geul maar een zijbeekje dat uit het Grosser Bos van Hauset ontspringt. Het is een bijzonder prettig wandelpad na de asfaltstroken. Verderop kruis je de nu al opvallend brede maar ondiepe Geul over een brugje en loop je er weer mee samen.
> Lees alles over het merkwaardige ex-dwergstaatje Neutraal Moresnet op de extra pagina. Op deze pagina leggen we ook even het verschil uit tussen Moresnet, Neu (of Pruisisch) Moresnet, Neutraal Moresnet, Moresnet Chapelle, Kelmis en Altenberg.
Via Gulia (53 km)