29. Vollezele
30. Herfelingen
31. Oetingen
32. Gooik
33. Leerbeek
34. Kesterheide
35. Elingen
36. Oudenaken &
St-Laureins-Berchem

37. Gaasbeek
38. Groenenberg
39. Sint-Gertrudis-Pede &
Schepdaal
40. Sint-Martens-Lennik

Overzichtskaart VIP
Startpagina > Wandelen > Voettocht in Pajottenland
39. Sint-Gertrudis-Pede & Schepdaal
Sint-Gertrudiskerk
Tramsite, voertuig gebouwd voor Leopold II (postkaart)
Op weg naar Sint-Martens-Lennik
Schepdaal
Rugzicht over de Pedevallei met Sint-Gertrudis-Pede
Watermolen Sint-Gertrudis-Pede
Hondenmolen
Detail uit het schilderij 'De ekster en de galg' van Pieter Bruegel de Oude, waar de schilder volgens sommigen de molen van Pede heeft afgebeeld maar dan wel in spiegelbeeld.
Onderweg richting Sint-Gertrudis-Pede.
> De wandelgids van de Voettocht loodst je via een hol wegje en een paar dorpswegels probleemloos naar de prachtige site van de watermolen van Sint-Gertrudis-Pede.
> Net zoals Sint-Gertrudis het deed in de jaren Stillekes stappen we in haar voetsporen richting Sint-Martens-Lennik maar dan wel via Schepdaal. Voorbij VK Pede kom je dus weer in open veld, je stijgt wat en merkt dat de hoogbouw van Brusselse agglomeratie hier niet zo ver af ligt. Waar je wandelt ademt het landschap echter landelijkheid uit.
> Verderop daal je licht rechts over een veldweg tot een paadje dat je naar rechts bij de voetbalterreinen van Schepdaal brengt. De VIP komt niet door het centrum van Schepdaal, om dat te bereiken moet je aan het kerkhof naar rechts gaan. Tenzij je een winkel nodig hebt of om de tramsite (aan de Ninoofsesteenweg) te bezoeken heeft Schepdaal eigenlijk niet veel interessants te bieden.
> Na de voetbalterreinen van Schepdaal draaien we meteen de rug naar de dorpskern. Naar Sint-Martens-Lennik toe volgt weer een heel mooi wandelstuk.
> We zijn nu 200 km ver over Voettocht in Pajottenland. Amper 5 km resten er ons nog tot de finish in Sint-Kwintens-Lennik.
> De VIP loopt langs de kerk van Sint-Gertrudis-Pede om in de dezelfde richting te vervolgen, langs het voetbalveld van VK Pede.
Sint-Gertrudis-Pede
> Dit dorpje is ontwikkeld op de plek waar 3 kleinere beken samenvloeien om de Pedebeek te vormen. Via Sint-Anna-Pede en Neerpede stroomt de Pede dan in de Zenne. Aan de dorpsnaam hangt weer een leuke legende vast. Sint-Gertrudis, wiens naam verbonden is met nogal wat kerken en kapellen in het Lennikse (wellicht door de oude band met de abdij van Nijvel waartoe grote delen van het Pajottenland in de vroege middeleeuwen hoorden), was onderweg naar Lennik toen haar koets zich hier in de buurt vast reed in de Pajotse modder. Er zat niks anders op voor Sint-Gertrudis dan de reis te voet verder te zetten naar Lennik. Het woord 'pede' is Latijns voor 'voet' of 'te voet'.
> Het dorpje is ontstaan, zoals vele dorpen in het Pajottenland, rond een oude versterkte herenboerderij in het Frankische tijdvak. Op de watermolen na zijn daarvan zowat alle sporen verdwenen. Wellicht ontwikkelde de kern zich rond een 'motte', een op een heuveltje gelegen houten versterking.
> Sint-Gertrudis-Pede evolueerde nooit tot een gemeente, hoewel het in de 19de eeuw bijna zover was. Het dorp behoorde altijd tot Sint-Martens-Lennik, tot het met de creatie van een zelfstandig Schepdaal in 1826 daarbij werd gevoegd. Schepdaal op zijn beurt is sinds 1976 een deeldorp van de gemeente Dilbeek. Ook parochiaal hadden de inwoners alle moeite om een eigen parochie te krijgen van de bisschop. Pas sinds 1890 werd de parochie afgekoppeld van Sint-Martens-Lennik.
> De eigenaar van de molen hield er traditioneel een deel (vaak een flink deel) van de opbrengst af als vergoeding. De banmolens waren dus niet altijd even geliefd. Elders in het Pajottenland zijn we nog langs zo'n banmolens gepasseerd langs het traject van de VIP. De watermolen van Sint-Gertrudis-Pede is in zijn geheel met bijgebouwen misschien wel de mooiste van het Pajottenland die is bewaard gebleven. De geschiedenis ervan gaat ook alweer bijna 1000 jaren terug, minstens tot één van de eerste machthebbers van het Land van Gaasbeek, Sweder van Abcoude (zie de pagina over Gaasbeek), eind 14de eeuw.
> Pas in de 20ste eeuw kwam een einde aan de eeuwenlange toepassing van wind- en watermolens als bron van energie. In de eerste helft van de 20ste eeuw werd vaak aanvankelijk nog gecombineerd met de 'nieuwe energiebronnen' van die tijd: Stoom, diesel en electriciteit, tot uiteindelijk het concept van de molens overbodig werd. Ook de molen van Sint-Gertrudis-Pede kwam in die reconversie terecht, zonder succes: In 1963 werd op elektrische aandrijving overgeschakeld maar een paar jaren later werd de maalderij gesloten.
> De molengebouwen, die nadien in verval raakten, kwamen in 1989 in eigendom van de gemeente Dilbeek voor de prijs van 6,5 miljoen frank. Sindsdien is er sterk geïnvesteerd in een smaakvolle restauratie van de oude gebouwen, met respect voor de lange geschiedenis en de omgeving. Wat je vandaag ziet is werkelijk een schitterend geheel. Muurankers op de gevel van het woongedeelte vertellen je dat de huidige gebouwen uit 1774 dateren maar dat is eigenlijk een restauratiejaar. Het molencomplex is dus veel ouder. Zoals de meeste gebouwen van betekenis in de regio moest ook de Pedemolen immers plundering en afbranden ondergaan tijdens het strijdgewoel in de 17de en 18de eeuw.
> Achter de molen liggen nog een paar vijvers die ook tot het domein behoren. Dankzij het enthousiasme van enkele molenverenigingen en enkelingen is ook binnenin de aandrijving hersteld. Hierdoor is de watermolen volledig maalvaardig. Molenaar Robert Staquet geeft er elke 2de en 4de zondagnamiddag van de maand maaldemonstraties. Aan één van de gevels zie je ook een hondenmolen, die werd bij de restauratiewerken toegevoegd. Aandrijving gebeurde door een hond. Zo'n hondenmolen diende om te karnen.
> Leuk detail is ook dat de schilder Bruegel volgens lokale heemkundigen de molen van Pede in twee van zijn schilderijen zou hebben afgebeeld.
Watermolen Sint-Gertrudis-Pede
> Net zoals vandaag zowat ieder dorp van betekenis een sporthal of voetbalveld heeft behoorde in de middeleeuwen een water- of windmolen tot het 'standaardmeubilair' van de meeste dorpen. Ze waren vooral vitaal in de verwerking van de akkeroogsten. De middeleeuwse machthebbers profiteerden van die noodzakelijkheid vaak om de boerenbevolking die hun gronden pachtten te verplichten die vermaling ook te laten plaatsvinden in de molens die eveneens hun eigendom waren. Zo'n molen waar de boer 'maalverplichting' had is een banmolen.
Schepdaal
> Eigenlijk zijn we hier in het dorpje Kelegem, was het niet dat er langs de middeleeuwse weg in de omgeving vlakbij het gehuchtje Schepdaal lag. In tegenstelling tot Kelegem ontwikkelde Schepdaal wel als nederzetting en slorpte het Kelegem op.
> De naam Schepdaal is waarschijnlijk een afgeleide van 'scherp dal'. Schepdaal dan weer behoorde eigenlijk eeuwenlang als wijk bij Sint-Martens-Lennik dat op zijn beurt tot het Land van Gaasbeek behoorde. Pas in 1826, onder Hollands bestuur, werd Schepdaal een gemeente met een eigen bestuur. 15 jaren later, in 1842, werd Schepdaal ook kerkelijk los gemaakt van Sint-Martens-Lennik als volwaardige parochie. Ook Sint-Gertrudis-Pede werd toen bij de nieuwe parochie Schepdaal gevoegd. Sinds de gemeentefusies van 1977 is Schepdaal bij Dilbeek gevoegd, hoewel nogal wat inwoners liever terug hadden gekeerd bij Lennik.
> Langs de VIP raken we maar even aan Schepdaal, wandel je het dorp in dan zal je amper het karakter van een typisch Pajottendorp herkennen: Schepdaal is erg verstedelijkt.
Ex-Geuzedorp Schepdaal
> Van de vroegere glorie van Schepdaal als bekend dorp van geuzebrouwers is zo goed als niks overgebleven, enkel nog wat lege gebouwen. Eylenbosch sloot in 1989, na de overname door Mort Subite. De vervallen gebouwen staan er nog steeds en worden wellicht omgebouwd tot kantoorgebouwen.
> De Neve werd in 1975 gekocht door Belle-Vue. Biergigant Interbrew kocht in 1992 Belle-Vue op (en dus ook De Neve) en brak zijn belofte om de produktie hier te behouden door de brouwerij amper 2 jaren later dicht te gooien. Vandaag wordt brouwerij De Neve omgebouwd tot woonzone met duplexen en loften.
Tramsite
> De enige echte reden om meer tijd uit te trekken voor Schepdaal is om het trammuseum te bezoeken. Net zoals Leerbeek was Schepdaal een knooppunt van tramlijnen (buurtspoorwegen) vanaf eind 19de eeuw. Eigenlijk kwam de tram al zeer vroeg tot Schepdaal, in 1886. Er werd toen een volledig uitgeruste stelplaats ingericht, inclusief loodsen, watertoren, magazijnen en een woonhuis voor de overste. De lijn werd verder doorgetrokken naar Ninove. Na WO II verdrong busvervoer de tram en in tegenstelling tot Leerbeek verloor Schepdaal hierdoor zijn positie als verkeersknooppunt.
> In Leerbeek doen de loodsen vandaag dienst voor het busdepot van De Lijn. Ook in Schepdaal bleven ze staan. Al voor de laatste tramlijn in 1970 werd afgeschaft deden de loodsen dienst om historisch trammaterieel in onder te brengen. Eigenlijk heeft het trammuseum zelf ondertussen al een respectabele geschiedenis achter de rug. Enkele tramvrienden die het snelle opdoeken van de tramlijnen met lede ogen aanzagen, richtten al in 1961 een Belgische vereniging voor het trammuseum op (Vetramu / Amutra). Ze konden de NMVB overtuigen om enkele oude trams te herstellen en tentoon te stellen in de loodsen. En zo opende in 1962 een bescheiden museum.
> Rond 1990 wordt ook het Schepdaalse museum geregionaliseerd door de opsplitsing van het bus- en tramvervoer in De Lijn, MIVB en TEC. Een aantal trams verdwijnen dus ook naar Brusselse en Waalse musea. Een tijdlang was er toen ook sprake om de Schepdaalse stelplaats op te breken en weer op te bouwen in Bokrijk maar uiteindelijk bleek het kostenplaatje voor Bokrijk veel te hoog. Woelige jaren voor het trammuseum dus, uiteindelijk
komt het beheer in de loop van de jaren '90 in handen van een werkgroep rond mobiliteit binnen Erfgoed Vlaanderen.
> Een zeer lange sluiting volgde tussen 1999 en 2009 voor grondige renovatie. Sinds de zomer van 2009 is het trammuseum weer open, nu onder de naam 'Tramsite'. De vereniging waarmee het allemaal begon, Vetramu, is inmiddels al een hele tijd in opheffing. Hun bijdrage tot het redden van trampatrimonium is niet te onderschatten. De vrijwilligers wisten talloze stellen te redden van de schroothoop en besteedden onnoemelijk veel tijd en zorg in restauraties. Hun kennis droegen ze ook uit naar andere gelijkaardige musea in België.
> Pronkstuk in de collectie is een koninklijk voertuig dat nog voor Leopold II werd gebouwd, maar de oude spoor- en traminfrastructuur van de site is ook zeker de moeite waard. Het museum ligt aan de Ninoofsesteenweg en heeft beperkte openingsuren.
VIP
205 km