Startpagina > Wandelen > Gaume Buissonnière
Aubange, Uilentoren. Startplaats van de Gaume Buissonnière
> De wat afgelegen grensdorpen worden onregelmatig bediend door openbaar vervoer. Aubange is goed gelinkt met Virton. Treinvervoer is enkel interessant om van Aubange naar Virton te sporen of om Aubange te bereiken te bereiken vanuit Vlaanderen of Nederland. Het treinstation van Aubange ligt op ongeveer 1,5 km van het Centre Clémarais, het start- en eindpunt van de Gaume Buissonnnière. Aan Franse zijde van de grens zijn Gorcy, Ville-Houdlémont en Saint-Pancré met Longwy verbonden via de Franse busdienst TED van het departement Meurthe et Moselle. Geen grensoverschrijdende bussen, tenzij via Aarlen.
> In Aubange is een luxehotel in een vleugel van het oude kasteel bij de startplaats. In St Pancré is geen overnachtingsmogelijkheid, stop eventueel te Ville-Houdlémont waar een B&B is. Ben je met de tent, bivakkeer dan vrij, best aan de Franse kant van de grens, bvb tussen Houdlémont en Saint-Pancré. Bivakkeren is nl in Frankrijk niet illegaal als je niet op privé-terrein staat, doe het best wel discreet. Lijst van overnachtingsmogelijkheden op de G.B. is te verkrijgen bij Tourisme Aubange.
> Bevoorrading langs de route vind je te Halanzy en Gorcy. Onderweg zijn er verscheidene café's op de route: te Halanzy, Gorcy en Saint-Pancré.
Halanzy, gemeentehuis
> Na de start in Aubange, bij de Uilentoren, neemt de Gaume Buissonnière ons al snel mee uit het vlakke Arelerland naar de eerste cuesta's op de grenslijn tussen Gaume en Frans Lotharingen. Zowat alle dorpen die we onderweg passeren hebben een verleden rond mijnbouw en ijzerertsontginning. De oude mijnputten van Halanzy, Musson en Saint-Pancré zijn echter al lang gesloten. Natuur en bos op de cuesta's hebben weer terrein herrovert en bieden in de 21ste eeuw toffe wandelmogelijkheden in een wat vergeten uithoek van het Arelerland, op de grens van België, Frankrijk en Luxemburg.
> Even voor het centrum van Aubange, dat echt in een uithoek van België is gesitueerd, ligt het domein Clémarais. Een oude slottoren bij een vijver is nog het enige dat aan het middeleeuwse kasteel herinnert. Hier, in het sportcomplex van Aubange, is ook het lokaaltje van de toeristische dienst gelegen. Mevrouw Maryse Perrin van de VVV geeft me een 'accueil chaleureux', typisch voor de Gaume, hoewel... eigenlijk zijn we hier nog niet in de Gaume maar in het Arelerland. Een dik uur later wandel ik haar kantoor weer uit, gesterkt met veel extra-informatie, praktische tips én een eerste GB-stempeltje in mijn topogids. Ze wuift me Aubange uit zoals ooit mijnheer Peschon dat wellicht deed als hij de zoveelste wandelaar op weg zette op zijn Gaume Buissonnière.
> Over 225 km hoop ik weer bij mevrouw Perrin langs te komen. Haar streekkennis vormt een informatieve goudmijn, het is verleidelijk om een hele morgen weg te babbelen met haar, maar zo geraken we nooit hier terug...
> OK, de beuk er in. Op een zuil die tot een oude toegangspoort behoorde staat een eerste witblauw teken van de Gaume Buissonnière, vlakbij de Uilentoren.
> De Gaume Buissonnière loopt het domein van Clémarais uit, naar rechts en daarna de vrij druk bereden verkeersweg N88 over. Oversteken, rechtdoor de Rue Nasfeld. Deze rustige asfaltweg bereikt na 1 km de drukkere Rue des Prairies waar we rechts gaan om zo weer de N88 te bereiken bij een rotonde. Oversteken om rechtdoor Aix-sur-Cloie binnen te wandelen.
> Dit is een typisch straatdorp van het Arelerland. Overdag is het er gewoonlijk erg rustig, de inwoners pendelen vooral naar het Groot-Hertogodom om er te werken. Onderweg langs de G.B. kan je nog enkele mooie oude staafkruisen zien, ook typisch voor de streek.
> In Aix-sur-Cloye blijven we de hoofdweg door het dorp volgen (de Rue Claie), tot we op een T-kruising komen met de Rue des Cultivateurs. Daar links, na 200 meter weer links en na 80 meter een derde maal links. Een rustig asfaltweggetje leidt ons nu over een plateau van open akkerland. Verderop dalen we licht naar de vallei van de Batte. Op een T-kruising 50 meter naar rechts en scherp links, we gaan de beekvallei van de Batte nu een tijdje volgen. Bij de verkeersweg N870 rechts-links, verder door de beekvallei. Eerste wegje links een eind verder om in zuidelijke richting af te dalen naar het dorp Halanzy. Bij de eerste gelegenheid een straat links nemen om op de T-kruising die volgt rechts af te dalen naar het centrum van Halanzy, met de kerk als richtpunt.
> Voorbij de kerk zijn we in het centrum van Halanzy, een dorp met nog verrassend wat middenstand en cafés. Kolenwagons op het marktplein herinneren er aan dat Halanzy - in tegenstelling tot de landbouwdorpen in de streek - vooral een industriële geschiedenis heeft.
> De gebouwen van het domein Clémarais dateren oorspronkelijk uit de tweede helft van de 14de eeuw. Enkel de opvallende ‘tour aux effraies’ (de uilentoren) is daarvan overgebleven. Wat je nu nog ziet dateert echter van veel later en maakte deel uit van een tweede kasteel (18de eeuw). Een gedeelte van het domein is nu een hotel, sterk gerestaureerd in 1967. Een ander deel (waar ook de VVV zich bevindt) werd recent omgebouwd tot cultuurruimte.
Aix-sur-Cloye
> Te Halanzy kruisen we de N88 om ongeveer rechtdoor te vervolgen over de Rue du Chalet. De straatnaam verwijst nog naar het populaire danscafé in de bossen enkele kilometers ten zuiden van Halanzy en krak op de grens met Frankrijk gelegen. Het was 100 jaar lang een zeer populair uitje voor de Fransen. Het succes had uiteraard te maken met de verschillen in prijzen voor alcoholische drank en tabak tussen Frankrijk en België. Ook La Gaume Buissonnière liep er langs maar dat is nu niet meer het geval, Le Chalet sloot immers rond 2005 definitief de deuren. Steeds rechtdoor over de hoofdweg, we kruisen een spoorlijn bij het station van Halanzy.
> Deze spoorlijn beleeft sinds enkele jaren een revival. Al sinds 1984 reden er geen passagierstreinen meer. Dat kwam doordat rond de jaren ’80 belangrijke metaalfabrieken in de omgeving van Athus sloten. Eind jaren ’80 kwam een belangrijk reconversieprogramma voor tewerkstelling op gang in het grensgebied van het Groot-Hertogdom Luxemburg, de provincie Luxemburg en Frankrijk. In de jaren ’90 kwam mede door de gunstige economische wind een aanzienlijke bevolkingsaangroei op gang. Vooral de dienstensector op Luxemburgs grondgebied begon te boomen. Als gevolg daarvan ontstond een aanzwengelend pendelverkeer vanuit de provincie Luxemburg waardoor de wegen naar het Groot Hertogdom Luxemburg alsmaar vaker dicht slibden. Na grondige studie werd besloten om, ondanks een verlieslatende exploitatie, werk te maken van de heropening van de spoorverbinding om het wegverkeer te ontlasten.
> Sinds december 2006 rijden hier dus weer passagierstreinen over de sporen. Opmerkelijk is dat, zelden wordt een spoorlijn weer voor passagiersvervoer in gebruik genomen na sluiting.
Vlinders langs de padberm
Zilveren maan Dikkopje Veldparelmoervlinder
> In de omgeving kan je nog relicten van de oude mijnontginning ontdekken. Omwille van de aanwezigheid van oude mijnschachten is het niet aangeraden om van de paden af te wijken, zeker als je hier met kinderen wandelt. Aan de ijzernijverheid herinnert ook nog de bodemsamenstelling: sterk rood gekleurde aarde verraad een hoge graad aan ijzer. Het natte weer van vanmorgen heeft ook de wijngaardslakken op gang gebracht, wat dan weer betekent dat er ook kalk in de bodem zit.
> Dit is de bedding van spoorlijn 165X. Dit spoor werd aangelegd in 1877 als een korte aftakking van de hoofdlijn 165 Athus – Bertrix – Libramont. Het traject van ligne 165X, dat maar een paar kilometer lang was, takte af in de buurt van Signeulx (B) en liep tot Gorcy (F). Daar was een stationnetje en een feederlijn uit de fabriek voor draadtrekkerij in Gorcy. Precies 120 jaar na de aanleg werd spoorlijn 165X in 1997 gesloten en opgebroken. Hoofdlijn 165 bestaat nog steeds, er is zelfs sinds 2006 weer grensoverschrijdend passagiersvervoer tussen Virton (B) en Rodange (L).
Pad door het Bois de Musson
> Voorbij de spoorlijn beginnen we aan een langzame stijging naar een cuesta. We zullen voor de rest van deze etappe nu vaak in het spoor wandelen van de thematische route 'Chemin des Mines'. Eerste straat rechts en licht links aanhouden. Bij de laatste huizen van deze Rue de Grandville raken we eindelijk, na bijna 10 km, van het asfalt af.
> Bij de ingang van het bos zijn we in de buurt van oude ijzerertsmijn Bois-Haut. In het bos rechts en langs een GSM-antenne. We volgen nu het Mijnwerkerspad een tijd, langs de oude mijn van Musson en na een scherpe zigzag langs het monument dat Guy de Larigaudie herdenkt. Let goed op de padmarkering onderweg.
> In De regio rond de Franse stad Longwy was eeuwenlang bekend voor de ijzerertsmijnen. Aan Belgische zijde van de grens waren de enige grote ijzerertsmijnen gelegen te Halanzy en ook in buurdorp Musson. Terwijl de ambachtelijke ijzernijverheid na eeuwen aktiviteit zowat overal verdween in Lotharingen en de Ardennen tijdens de 19de eeuw, werd hier toen de stap gezet naar een modernere en meer grootschalige exploitatie. De mijn van Musson was in bedrijf tussen 1851 en 1963, die van Halanzy van 1881 tot 1978. Ze waren gelegen op de cuestaflank ten zuiden van beide dorpen, we komen er straks langs via La Gaume Buissonnière.
> In 1978 sluit de mijn van Halanzy. Een desastreus jaar voor de regio, toen sloot immers ook de mijn van Rodange-Athus (zie ook de prille geschiedenis van La Gaume Buissonnière).
> Midden in het beukenbos boven Musson kom je langs dit bescheiden oorlogsmonument met een bankje. De eerste naam is die van ‘Guy de Larigaudie’. Op zijn 32ste , toen hij hier stierf, had de Fransman Guy de Larigaudie al een heel leven achter de rug. Zijn grote liefde was het scoutisme. Voortvloeiend daaruit ondernam hij talrijke avontuurlijke reizen. In 1935 en -36 brengt een wereldreis hem tot in Polynesië. Het is vooral zijn avontuur om met een oude Ford van Parijs naar Saigon te rijden dat sterk tot de verbeelding spreekt (foto). Zijn boeken over die belevenissen verkochten als zoete broodjes en verschenen later nog als stripverhaal. Hij stierf hier aan de vooravond van een bloedig treffen met de Duitsers nabij Musson op 11 mei 1940 te samen met enkele strijdmakkers.
Monument Guy de Larigaudie en zijn makkers
> Na het monument heb je enkele doorkijkjes in het bos over Musson. We gaan stilaan terug ietsje dalen en nemen bij een bosrand een zuidelijke koers aan, in het spoor van het Mijnwerkerspad. Zo lopen we ongemerkt Frankrijk binnen. Langs de bosrand gaat het nog even vrij vlak om dan verderop, zuidelijk aanhoudend, scherper te gaan dalen naar Gorcy. Tussen weiden loopt het oude voetpad de vallei in. Als het gras hoog staat, controleer je na deze passage best eens of er geen teken zijn blijven hangen!
> We arriveren bij een rotonde in het centrum van Gorcy (café). De D29 over, langs de kerk en wat hoger gaan we rechtsaf. Daarna kiezen we de oude spoorlijn (tesamen met de witrode tekens van GR 570), nu een aangenaam wandel- en fietspad met sintels als bedekking.
Graspad dalend naar Gorcy
> Na bijna 2 km kom je langs een grappige schuilhut aan de Franse zijde van de grens, de cabane 'Chez l'Emile et l'Fernand. Daartegenover, aan de Belgische zijde van de grens, ligt het natuurreservaat La Cussignière.
Afgelegen kerk van Houdlémont
Schuilhokje 'Chez l'Emile et l'Fernand
Over de oude spoorbedding 165x
Marais La Cussignière
> Als je naar Saint-Pancré afdaalt bevond de mijn zich in de cuesta ongeveer op je linkerkant. Het ijzererts van Saint-Pancré was van biezonder goede kwaliteit met een hoge concentratiegraad. Het werd dan ook aangewend voor de meest veeleisende produkten, met name wapens. Op een bepaald moment werd zelfs beslist dat het ijzer om die reden niet meer mocht worden uitgevoerd over de grens. Hierdoor kregen de ijzermijnen van oa Grandcourt vlakbij een boost. Rond 1850 werden de opdelvingskosten in de mijn van Saint-Pancré veel te hoog, vergeleken met andere mijnen. Nieuwe exploitatietechnieken, schaalvergroting en concurrentie met modernere mijnen gaven de doodsteek aan de eeuwenoude aktiviteit in Saint-Pancré. Voor de oude mijn was ook veel water nodig, om het ruwe erts te wassen en te zuiveren. Daarvoor werden de waters van een beek gebruikt die door Saint-Pancré loopt, de Bévaux. Deze beek loopt op Belgische bodem in de Vire. De vervuiling die hier in Saint-Pancré werd veroorzaakt door het wassen van erts was lange tijd een bron van ergernis voor de dorpen aan Belgische kant.
> Voorbij deze kerk is het wat opletten voor de markering en het verdere padverloop. Enkele plotse padwisselingen werken namelijk nogal desoriënterend. Indien je wil vrij kamperen op het einde dag is dit misschien een goede omgeving om een plek te zoeken. Dalend ben je al snel weer uit het Bois de Houdlémont-Ville.
> In de vallei voor jou ligt omgeven door beboste heuvels het volgende dorp: Saint-Pancré. Ook in dit dorp was een belangrijke ijzerertsmijn gelegen, het erts was er van betere kwaliteit dan dat van Musson en Halanzy.
Over de hoofdweg door het dorp passeer je 2 gerestaureerde lavoirs (drinkwater).
> Saint-Pancré is een dorp dat qua architectuur erg aansluit op de dorpen van de Gaume. De streek heet hier aan de Franse kant ook niet meer de Gaume, maar Frans-Lotharingen of kortweg Lorraine. Herkenbaar is de concentratie van de woningen langs één straat met een paar korte zijstraten. De huizen zijn ook hier opgetrokken uit harde zandsteen en hier en daar nog voorzien van zogenaamde 'Romeinse' dakpannen. Er zijn resten aanwezig van een oude toren (1609) die behoorde tot een kasteel of versterkt huis, gelegen links boven de G.B., niet ver van de kerk. Zoals we al opmerkten werd Saint-Pancré op kerkelijk vlak vroeger bediend door de hoog gelegen Saint-Deniskerk van Houdlémont, die we passeerden. De huidige kerk van Saint-Pancré dateert dan ook maar uit 1833. De patroonheilige gaf zijn naam aan het dorp. De heilige Pancratius is trouwens ook bekend als één van de beruchte ijsheiligen (naamdag 12 mei). In het dorp zelf dateert de oudste woning uit 1628: Een boerderij aan de Grand'rue 36.
Zuiderse bouwstijl te Saint Pancré
> Net na de schuilhut verlaat La Gaume Buissonnière de bedding van de oude spoorlijn. Links over een grassig pad, dat we over ongeveer anderhalve kilometer blijven volgen. Soms kunnen delen van dit pad er drassig bij liggen. Uiteindelijk loopt dit pad een woonwijk van het dorp Ville binnen.
> Even later begin je aan een van de meest stevige stijgingen van de hele Gaume Buissonnière. Van 250 meter hoogte te Ville stijgen we op korte afstand naar net geen 400 meter in de buurt van de Saint-Deniskerk. Die harde stijging loopt over asfalt, bij warm weer is het dus zweten geblazen! Achteromkijkend onderweg is het zicht over de vallei van Batte en Vire heerlijk.
> Aan de Belgische kant ligt een sinds 2004 erkend natuurreservaat van 27 ha dat wordt beheerd door NATAGORA (de Waalse tegenhanger van Natuurpunt), ‘Le marais de la Cussignière’. Over knuppelpaadjes kan je een deel van dit biezondere moerasgebied bezoeken. Het gebied is zo drassig omdat de bodem rust op een mergellaag. Vooral het vogelleven is erg gevarieerd in het reservaat. Er zijn ook infopanelen aangebracht die je meer biezonderheden over het reservaat vertellen.
> De kerk van Houdlémont ligt vreemd genoeg niet in het centrum van dit kleine dorp, maar helemaal afgelegen in bos op de hoogste top van de streek. De kerk werd gebouwd midden 16de eeuw (mogelijk stond er vroeger al een kapel) om dienst te doen voor de dorpen Houdlémont, Saint-Pancré en Buré-la-Ville. Enkel een deel van klokkentoren dateert nog uit die tijd. In de 18de en 19de eeuw werd de kerk vergroot en aangepast. Omwille van de hoge ligging moet het gebouw ook sinds een tijd het gezelschap dulden van wat antennes.
Zicht op Saint-Pancré
Gaume Buissonnière (225 km)