Startpagina > Wandelen > Gaume Buissonnière
> In het dorpje zelf ook hier enkele typische huizen met bouwjaar van de woning boven de deurlijst. De kerk van Lamorteau, gelegen aan de oever van de Ton, is gewijd aan Sint-Niklaas, een standbeeld van deze heilige staat in een nis. Pas sinds 1862 is Lamorteau een volwaardige parochie met een eigen kerk. Voordien gingen de inwoners naar de mis op de heuvel van Montquintin of naar Rouvroy.
> In de Rue de l’Eglise is nog een merkwaardig huis gelegen. Het huis van Mr de Franque zou in 1791 voorbestemd zijn geweest om te dienen als toevluchtsoord voor koning Lodewijk XVI van Frankrijk. Tijdens zijn nachtelijke vlucht naar Montmédy werden Lodewijk XVI en zijn familie in Varennes-en-Argonne echter onderschept door republikeinen. Het volledige verhaal over deze spannende gebeurtenissen kan je lezen in het wandelverslag over GR14 . Louis XVI en de Franse koninklijke familie zijn dus nooit in Lamorteau geraakt.
Hoop maar op regen als je Gérouville passeert: Dit is het mooiste schuilhokje langs de G.B : binnenin een 700 jaar oude olm.
> De meeste dorpen onderweg worden wel bediend met openbaar vervoer, maar dan nogal onregelmatig en beperkt of niet in schoolvakanties of weekends. Torgny en Lamorteau hebben een paar busverbindingen naar Virton. Gérouville, Villers d/t Orval en Orval worden dan weer af en toe bediend door een lijn tussen Virton en Florenville. Zie de sites van TEC of de NMBS voor details.
> Te Orval en in enkele dorpen onderweg zijn overnachtingsmogelijkheden, er is wel geen camping. Neem te Orval eventueel een bus naar Florenville waar je terecht kan op Camping La Rosière. Contacteer de toeristische diensten van Aubange, Virton of Florenville voor details. Om eens flink door te zakken bij Orvalbier ben je op de verkeerde plaats binnen de abdijmuren. Een minimum aan respect voor de stilte en het religieus karakter van de site is maar normaal. Buiten de abdijmuren kan je eten of Orvalbier drinken in één van de tavernes, die draaien vooral op dagjestoeristen.
> Bevoorrading langs de route vind je in Gérouville (superette aan het plein), Villers-d/t-Orval (Courthéoux in het centrum) en Florenville (alles). Onderweg zijn er verscheidene cafés en tavernes op de route: Torgny (La Romanette), Gérouville (The Paradise), Villers-d/t Orval, Orval. Taverne L'ange gardien (= 'de bewaarengel') bij de abdij van Orval serveert eenvoudige, smaakvolle en prijsvriendelijke gerechten waarin de abdijprodukten van Orval - kaas en bier - zijn verwerkt.
> Vanaf Torgny tot Orval volgt La Gaume Buissonnière weer zijn eigen bewegwijzering van witblauwe logotekens.
Bruin zandoogje op een beemdkroon
> Met het schitterende Torgny achter de rug zoekt deze etappe, via de typische Gaumedorp Lamorteau en Couvreux klimmen we naar de historische burcht van het opvallend hooggelegen Montquintin. Verderop flirt La Gaume Buissonnière een tijdje met de Franse grens. Over een oude Romeinse heerbaan kom je langs Gérouville, nog zo'n dorp met veel 'gaumesfeer'. Een kort uitstapje langs het Franse grensdorp Margny brengt ons naar het hoogtepunt van de dag: de abdij van Orval. De bewogen geschiedenis, prachtige ruïnes, culinaire geneugten van bier en kaas en de mooie vallei van de Williers verdienen minstens enkele uren bezoektijd.
> Het is in mogelijk om in het abdijcomplex te overnachten, in het kader van bezinning- of 'herbronningweekends'. Wandelaars kunnen ook terecht in de omgeving van Orval voor overnachting. Aan het abdijcomplex is ook een winkel waar je artisanale producten of literatuur kan vinden. Het eten van kaas of bier moet wel buiten de abdij plaats vinden. De brouwerij zelf wordt slechts uitzonderlijk voor het publiek opengesteld.
> Er zijn een paar restaurants/tavernes langs de toegangsweg naar de abdij. In taverne l'Ange Gardien, die het kortst bij de abdij ligt, kan je gerechten eten die op basis van Orvalkaas of -bier zijn bereid. Je kan er ook een soort ‘Orval-light’ drinken. Meer info www.orval.be .
> Vanuit het centrum van Torgny (bij de taverne en de wasplaats) neemt La Gaume Buissonnière even de Rue de Lamorteau om dan de eerste rechts te nemen. Langs de roze gekalkte boerderij stijgen we naar een wegenkruising die is gemarkeerd met het veldkruis Labord. Dit wat beschadigde calvariekruis dateert uit 1791, de namen van de schenkers, een echtpaar uit Torgny zelf, kan je ook nu nog lezen en verder de Latijnse tekst ‘Gegroet kruis, mijn enige hoop’.
> La Gaume Buissonnière gaat bij het Croix Laborde links maar als je nog even de grootste wijngaard van Torgny wil bekijken, dan wandel je eerst nog wat hoger.
> Aan het Croix Laborde gaan we dus links en we verlaten dus nu na zowat 10 km het tracé en de witrode van GR 129. Vanaf nu weer de blauwe tekens G.B. volgen. Wat verder zien we links wat lager langs boerderij Marx en de bijhorende kleine camping à la ferme. In deze omgeving werd ooit ook een merovingisch kerkhof ontdekt.
> De wijngaardcultuur in België gaat terug tot de Romeinse periode. Deze landbouwcultuur en de daaruit voortvloeide produktie van wijn kwam mee met de zuiderse bezetter. De verbouwing van wijnranken had een wisselend succes doorheen de loop van de eeuwen. Na de 15de eeuw vermindert de populariteit van de teelt, tot rond 1945.
> Wat Torgny betreft is het niet bewezen dat hier al in het Romeinse tijdvak aan wijnproduktie werd gedaan. Zeker is dat de teelt van wijndruiven in Torgny niet permanent aanwezig is geweest. Zo wordt er in de eerste helft van de 19de eeuw een behoorlijke 4,5 ha aan wijndruiven verbouwd, terwijl op het einde van diezelfde eeuw dit areaal weer volledig is verdwenen.
> Na WO II neemt de natuurvereniging 'Ardenne et Gaume' initiatieven om deze verloren cultuur en traditie weer leven in te blazen. Om maximaal van het gunstige klimaat te profiteren wordt goed gelegen grond gezocht in de omgeving van Torgny. Een oude inwoonster van Torgny is het project genegen en is bereid een stuk grond te verkopen aan voordelige voorwaarden. Het terrein is licht aflopend, zuidelijk georiënteerd op het bajociaan en beschermd van de koudste oostelijke winden, ideaal dus. De wijngaard krijgt de bijnaam van de schenkster van de grond, Joséphine Wathy: ‘La Zolette’. Wetenschappelijke ondersteuning komt van het landbouwinstituut van Gembloux.
> Een aanplanting van Rieslingstokken in 1955 brengt 4 jaren later een eerste bescheiden oogst aan druiven op. Vanaf 1959 zal de wijngaard goed zijn voor een opbrengst die evolueert naar gemiddeld een 2000 kilo druiven per oogst. Ook elders in België wordt weer volop geëxperimenteerd met wijngaarden. In Vlaanderen worden vanaf 1970 vooral in het Hageland weer wijnstokken geplant.
> Twee zeer strenge winters (1985 -1986) met temperaturen die diep onder 0 gaan verwoestten de wijngaard van Torgny. In 1987 wordt er herplant op de Clos de la Zolette en in 1991 ook op een terrein dat dubbel zo groot is (1ha), Poirier du Loup.
> 'Poirier du loup' is gelegen rechts van het kruispunt voor je afdaalt. Vanaf 1997 droeg ook deze wijngaard volop druiven, goed voor zowat 5000 liter wijn. Zelf even getest: Het is een fris wijntje, maar de smaak mist een beetje het fruitig boeket en het warme karakter van een zuiderse wijn. Het kleine terreintje links langs de GB met de 2 grote wijnvatenwas een experimenteel stukje van de Clos de la Zolette, vooral bedoeld als visitekaartje. Sinds een aantal jaren echter ligt deze plek inclusief vervallen koterij er wat als een vloek in het landschap bij.
Torgny, merovingisch kerkhof (oude postkaart)
> Op het hoogste punt is een picknickplek, bij het calvariekruis ‘la Petite Fin’. Je hebt er ook een mooi uitzicht over zowel de vallei van de Ton als die van de Chiers. Ongeveer recht voor je in de vallei is de mondingplaats van de Ton in de Chiers. We kwamen de Ton ook al tegen te Saint-Mard. Verder heb je vanuit de picknickplaats ook nog een vergezicht over enkele dorpen die op Frans territorium zijn gelegen.
> In de velden, ongeveer ter hoogte van boerderij Marx, heeft men in het begin van de 20ste eeuw een merovingisch kerkhof ontdekt. Het personeel van het Gaums museum van Virton heeft er later uitgebreid archeologisch onderzoek verricht en interessante objecten gevonden. Over een oppervlakte van zowat 80 X 30 meter werden zo’n 360 graven bloot gelegd.
Gewone brunel
> De Gaume Buissonnière loopt een eind lager links naar Couvreux toe. Op de rechterkant passeer je een ijzeren kruis. Het dateert uit de 19de eeuw maar werd hier pas geplaatst in 1980, eigenlijk is het een zerkkruis, afkomstig van het kerkhof van nabijgelegen Dampicourt.
Lamorteau
> Uit onderzoek is gebleken dat de begraafplaats in gebruik was tussen het jaar 570 en 700 n/C. In het centrum van het kerkhof werden vooral houten kisten gevonden, terwijl de ‘jongere’ tombes daar rond voornamelijk uit steen waren. Er zijn ook een paar gemeenschappelijke graven waar 2 personen tegelijk werden begraven, maar de meeste zijn éénpersoonsgraven, waarbij de overledene aangekleed, op de rug en met de armen gestrekt langs het lichaam werd gelegd. Behalve interessante delen van kledingstukken en juwelen, zoals gespen, oorringen, halssnoeren, armbanden en andere ornamenten werden ook vaak een aantal andere gebruiksvoorwerpen in het graf van de overledene toegevoegd: schild, zwaard, speer, bijl en scaramasax (= een soort lange dolk). Andere voorwerpen die werden toegevoegd waren van meer huishoudelijke aard, zoals aardewerk: bekers, kruiken, enz...
Lamorteau
> De woonkern van Lamorteau ligt aan de oever van de Ton, het dorp is dus laag gelegen, rond 197 meter. Door het grensdorp reed 100 jaar lang een trein vanuit Virton. In 1982 werden het station en de spoorlijn gesloten. Het stationsgebouw, evenals de spoorbedding richting Virton via Harnoncourt, zijn nog steeds aanwezig. Die spoorlijn is recent omgetuned naar een RaVelpad. Langs dit spoortraject groeit ’s zomers een grote variëteit aan wilde planten.
> Ook in Lamorteau zijn geen winkels meer, wel gastenkamers waar je eventueel ook een G.B.-stempel kan oppikken. Tijd om er nu wat vaart achter te zetten. Komende vanuit Torgny gaat La Gaume Buissonnière bij het bereiken van Lamorteau rechts en dadelijk links langs de Sint-Niklaaskerk en over de Ton.
> 100 meter voorbij de kerk moet je links op een weg die uitkomt op de redelijk drukke weg Virton – Montmédy. Helaas volgt de G.B. een tijdje deze weg. Onderweg zowaar een kolonie van tientallen dambordvlindertjes gezien. Ze laten zich niet makkelijk fotograferen en het is bij dat autogeraas ook niet echt de plek om achter vlinders aan te lopen.
> In het witgekalkte huis met rode dakpannen is een heemkundig museum gevestigd. De woning is gebouwd rond 1765, uit steen van de streek en bedekt met een laagje kalk om verwering tegen te gaan. Het was in feite een cijnshuis, gebouwd in opdracht van de kasteelheer van Montquintin (Von Hontheim). Er is een woongedeelte, een stal en een schuur en het dak is bekleed met rode dakpannen. Het museum van het volksleven behoort tot het museum van Virton sinds 1965 en is niet zo vaak toegankelijk. Je ziet er oa een ingericht klaslokaaltje van vroeger, het gebouw heeft immers nog een tijd als schooltje gediend. Verder een collectie oude foto’s, een keuken ingericht met oude gebruiksvoorwerpen en meubels, kamers met landbouwwerktuigen, enz…Vooral groepen op afspraak komen er. Individueel: ’s namiddags in juli en augustus.
> Montquintin ligt op een hoogte van 324 meter, een stuk hoger dan Lamorteau dus. De heuvel domineert de omgeving, het is dan ook geen verrassing dat de site al minstens sinds de Romeinse tijd bewoond is en dat er bovenop al eeuwenlang een strategische versterking aanwezig is.
> Van het laatste kasteel zijn sinds 1935 enkel nog ruïnes over. Een eerste feodaal kasteel werd hier gebouwd door de graven van Chiny (zie ook verder langs de G.B.) ter bescherming van de zuidelijke grens van hun territorium. De opvallende ligging van het kasteel bracht het vaak in het vizier van oorlogvoerende partijen. De burcht viel dan ook geregeld ten prooi aan belegering en verwoesting over de eeuwen heen. In 1760 wordt het kasteel een laatste maal sterk verbouwd door Johann-Nikolaus von Hontheim, waarbij het huidige grondplan in U-vorm tot stand komt.
> Johann-Nikolaus von Hontheim (1701 -1790) is wellicht de beroemdste inwoner van Montquintin geweest. Hij was een van oorsprong Duits historicus en theoloog. Zijn publicaties onder het pseudoniem Justinus Febronius tijdens zijn functie van hulpbisschop, vielen niet in goede aarde bij de Romeinse curie. In die mate dat zijn werk op de kerkelijke index van verboden boeken terecht kwam, waarna hij zich definitief terug trok in zijn kasteel in Montquintin. Zijn geschriften waren bedoeld om katholieken en protestanten weer te verzoenen door zonder veel taboe een aantal pijnpunten in het conflict te bespreken, daarbij werd de macht van paus en curie nogal op de korrel genomen…
> In de woelige jaren na de Franse Revolutie (waarbij ook de paters uit Orval worden verjaagd), wordt in 1794 ook het kasteel van Montquintin door de Franse troepen geplunderd en afgebrand. Het geheel wordt nogmaals heropgebouwd in 1803, dit maal door de neef van J.-N. von Hontheim, Jean-Jacques. Later zal het kasteel herhaaldelijk ten prooi vallen aan brand: In 1869, 1931 en 1958. In de 19de en 20 ste eeuw wisselt het gedeeltelijk geruïneerde kasteel talloze malen van bewoner, waarbij grondige restauratie uitblijft. Van 1935 tot 1945 dient de enige intacte vleugel nog als café-winkel. Het verval eindigt uiteindelijk als in 1995 een plan wordt opgemaakt om de site te restaureren.
> Momenteel worden de burchtruïnes in 2 lange fases gerestaureerd, een project dat loopt over vele jaren omdat het voornamelijk vrijwilligerswerk betreft. In een eerste fase werd archeologisch en architecturaal onderzoek verricht en werden noodzakelijke stappen gezet om het verval te stoppen. In een tweede fase worden werken uitgevoerd met het oog op beperkte restauratie en vooral om de staat van de ruïnes te consolideren. Op langere termijn is het de bedoeling het kasteel helemaal in zijn oude glorie herop te bouwen en er hedendaagse culturele en commerciële gebruiksinvulling aan te geven.
> In principe is de site niet toegankelijk tijdens de lange periode van restauratie, vanop de weg heb je toch al een mooi zicht. Af en toe vinden er gegidste bezoeken plaats. ‘s Zomers wordt er onderzoek en restauratie verricht, vooral door vrijwilligers. De verenigingen ‘Fondation Kelyddon’ en ‘A Montquintin’ zijn de stuwende kracht achter dit project.
> 600 meter verder neemt de G.B. een wegje rechts richting Montquintin. Het is aanvankelijk stevig stijgen, hogerop wordt de klim meer geleidelijk. De weg naar de top is de ‘Chemin des morts’, de ‘dodenweg’ dus, omdat dit ook de weg naar het kerkhof van Montquintin was lang gelden voor de inwoners van Lamorteau. Als je uiteindelijk Montquintin bereikt, heb je een 120 meter hoogte overwonnen. Kijk even over je schouder tijdens de klim voor een mooi panorama over de gelopen route.
> De stinkende varkenskwekerij die je passeert onderweg is onderwerp van discussie. Vooral de heemkundige vereniging van de streek is erg tegen uitbreiding omwille van stank en nitraten. Langs de andere kant van de heuvel waarop Montquintin ligt is immers ook al een grote fabriek die voor de nodige uitstoot van stanklucht zorgt. Op de top van de heuvel ligt een kleine woonkern die in zijn geheel beschermd is.
Pulpfabriek Burgo Ardennes
Couvreux, oude wasplaats
> La Gaume Buissonnière passeert de kasteelruïnes langs links en begint al snel weer te dalen. Ook langs deze kant zijn de uitzichten weids. Rechts ligt de enorme pulpfabriek van Harnoncourt.
> Niet veel later kom je aan een wegsplitsing waar een bordje staat met ‘A la voie Romaine’. We zijn hier inderdaad over een strook oude Romeinse heerbaan aan het wandelen, typisch is dat deze Romeinse weg vrij recht en hooggelegen loopt. Het gaat hier niet over een hoofdweg maar over een diverticulum, een weg die van Montmédy naar een andere heerweg leidt. Die laatste leidt dan kort daarna naar het Romeinse relaisstation van Chameleux (verder op deze etappe).
> Op een 20ste eeuwse wegenkaart is deze volledige Romeinse weg moeilijk te traceren maar op de luchtfoto ’s van Google Maps zie je nog mooi hoe deze weg liep aan de hand van sporen in de bossen en verkleuringen in de omgeploegde velden.
> Rechtdoor. We lopen hier weer op de Frans/Belgische grens. Links ligt Frankrijk met de dorpen Thonne-le-Long en verderop Avioth. Alles wordt weer België nadat de asfaltweg is overgegaan in een aardeweg. Eindelijk nog eens een andere ondergrond na 10 km asfalt, voor even toch. Langs wat bos en bij een boerderij kruising met de weg naar Sommethonne. Steeds maar dezelfde noordelijke richting aanhouden. We liepen nu een tijdje samen met de witrode tekens van GR 129. Bij een klein kruispunt met 4 bomen, een kruis en een rustbank splitsen we af van GR 129, die naar Sommethonne loopt. La Gaume Buissonnière gaat echter op dat kruispunt rechtsvoor verder om een hele tijd een asfaltweggetje door veld volgen.
> Pas bij het kruis ‘Jean de Paris’ zullen we van richting veranderen: in feite hebben we kilometers lang op het Romeins diverticulum gelopen, dat we nu verlaten om kort een ander Romeins diverticulum te volgen, een weg die van Avioth komt.
Zwarte toorts
Rapunzelklokje
Couvreux
Heemkundig museum van Montquintin
> Wat lager passeer je de calvarie ‘Lhommel’ uit 1832 en kom je via een brugje in het centrum van het dorp. Je passeert de oude wasplaats, nu veranderd in een kleine feestzaal/vergaderzaal.
La Gaume Buissonnière over een Romeins diverticulum
>De fabriek ‘Cellulose des Ardennes d’Harnoncourt’ is sinds 1964 hier gevestigd. Het bedrijf staat symbool voor de industriële aanwezigheid in de Gaume. Misschien vind je het zicht van de uitgebreide fabriekterreinen, inclusief rokende schouwpijpen, een aanfluiting van landschapsplanning en milieu en misschien is dat ook zo, maar met de komst van deze fabriek konden honderden arbeiders werk vinden in eigen streek, waar voordien bijna enkel gependeld werd naar de Franse industriële regio’s rond Longuyon, Longwy, Carignan en Montmédy. Tenslotte is de Gaume ook vandaag een regio waar mensen willen wonen en werken, het is geen openluchtmuseum.
> Sinds een aantal jaren is deze fabriek in Italiaanse handen, tegenwoordig heet ze ‘Burgo Ardennes’. Er wordt per dag zo’n 1000 ton aan papierpulp gemaakt uit houtsnippers en afvalhout. Hierdoor heeft deze aktiviteit een belangrijke rol in de houtnijverheid van de zuidelijke Ardennen. Meer dan 700 arbeiders vinden er werk + honderden werknemers van toeleveringsbedrijven. Daarmee is Burgo Ardennes misschien wel het belangrijkste bedrijf van de Gaume.
> De linde die niet ver van de Saint-Quentinkerk staat, werd aangeplant bij het 100-jarig bestaan van België in 1930. De kerk heeft niet echt een klokkentoren, naar verluid uit vrees voor blikseminslag. Wandel ook even tot achter de kerk en het kerkhof, er werd in 2014 een 'visiorama' ingericht, een uitzichtplatform. Elders in het dorp staat nog een herenboerderij met 17de eeuwse ronde duiventoren.
De merkwaardige 'veldbasiliek van het Franse Avioth, heel in de verte
Pad naar Gérouville
> Sinds het begin van deze etappe wandelen we nog steeds door dorpen die tot de gemeente Rouvroy behoren. Behalve Couvreux behoorden immers ook Lamorteau en Montquintin tot deze gemeente. Rouvroy is wat oppervlakte betreft de kleinste gemeente van de provincie Luxemburg. Ook het bewonersaantal is eerder laag: er zijn in totaal slechts net iets meer dan 2000 inwoners ingeschreven in deze gemeente.
> Het kruis ‘Jean de Paris’ werd op dit kruispunt geplaatst ter herdenking van een soldaat uit het Franse leger die hier sneuvelde in 1709. De echte naam van de soldaat was Jean Lallemant. Volgens de legende liet de eigenaar van de grond een muntstuk in het voetstuk van het kruis metselen. Zelfs wilde verhalen over een schat deden de ronde, daardoor ongure elementen aantrekkend die de steen openbraken.
> De inwoners van Couvreux hebben lang moeten wachten om wat erkenning te krijgen voor hun dorp. Net zoals Lamorteau, dat we eerder passeerden, was ook hier lange tijd geen kerk. Al in 1786 dienen de inwoners een verzoekschrift in voor de oprichting van een kapel. De historische evolutie was hen echter niet gezind: De volgende jaren waren immers erg woelig met de uitbraak van de Franse Revolutie en de machtsinperking van de katholieke kerk. Die wens stierf dus een stille dood. Rond 1832 gaat vanuit de dorpsbevolking weer de vraag naar een kerk uit. Terwijl in Montquintin een pastorie wordt gebouwd krijgt Couvreux een negatief antwoord om ook daar een kerk en pastorij op te richten. Het zou nog aanslepen tot 1880 vooraleer de dorpsbewoners van Couvreux hun kapel kregen.
> De patroonheilige is Sint-Rochus, beschermer tegen epidemieën. Dat was een bewuste keuze van de inwoners, de nare ervaringen met een cholera-epidemie in 1866 lagen immers nog vers in het geheugen.
> De huidige kerk ligt in de schaduw van een schitterende oude linde. Mogelijk werd hij geplant bij de inzegening van de kapel of de kerk ofwel is het net zoals in Montquintin een herdenkingsboom ter gelegenheid van 100 jaar België.
> Na Couvreux gaat het weer even flink omhoog over meer asfalt. Als je het plateau bereikt moet je rechts een wegje op. Kijk je op het hoogste punt recht voor je dan zou je de veldbasiliek van Avioth moeten zien liggen, maar op het moment dat ik hier passeerde was het wat te ‘hazy’ om ver te zien.
> De omgeving rond Gérouville is van oudsher bewoond. Enkele Romeinse wegen kruisten elkaar in de omgeving. Er zijn archeologische ontdekkingen gedaan die nog herinneren aan die tijd, zoals Romeinse beelden, een kerkhof, enz… Het huidige dorp is ontstaan op vraag van de monniken van de abdij van Orval en met akkoord van de graaf van Chiny waartoe het gebied behoorde. Toelating werd ook gegeven door de aartsbisschop van Trier in 1258. Hierdoor kon een gemeenschap ontwikkelen waarvan de inwoners over bepaalde burgerlijke vrijheden konden beschikken (de wet Beaumont). Daartegenover stond dan de afhankelijkheid van Orval voor verplichte betalingen - een deel van de landbouwopbrengsten (tienden). In tegenstelling tot de meeste dorpen in de streek bestaat er dus een soort 'stichtingsdatum' voor Gérouville.
> Eeuwenlang kon Orval zo zijn invloed doen gelden in Gérouville, tot op het einde van de 18de eeuw tijdens de Franse Revolutie dit feodale stelsel teniet werd gedaan en de bezittingen en rechten van de abdijen verbeurd werden verklaard. Het enorme plein dat je ziet als je in het centrum komt diende eeuwenlang om de wekelijkse markt van de streek te hosten. Zoals andere grensdorpen in de streek had ook Gérouville en zijn inwoners soms te lijden onder oorlogen, plunderingen en ziekten (de pest).
> Opvallend als je in het centrum van Gérouville aankomt, is de rare constructie van een soort houten hutje met dak. Het zijn de resten van een oude olm. De geschiedenis van die boom gaat terug tot de prille ontstaansgeschiedenis van Gérouville. Ter gelegenheid van de installatie van de eerste magistraat (in 1259) werd op de 4 hoeken van het dorpsplein een jonge olm geplant. De laatste overlevende olm raakte op 8 februari 1877 in een storm zo gevaarlijk beschadigd, dat de resten van de enorme boom verwijderd moesten worden. De boom moet op het einde van zijn leven een indrukwekkende vorm hebben aangenomen gezien de enorme omtrek (ongeveer 7,5 meter) van de stam.
Gérouville, kerkplein rond 1900 (postkaart). Je ziet hier mooi hoe de huizen in een typisch Gaums dorp altijd wat achteruit van de straat werden gebouwd, vaak in lintbebouwing. Voor de woning was dan plaats voor een 'usoir', die diende vooral voor het 'stationneren' van de karren, het aanleggen van een voorraad brandhout en voor de mesthoop van het vee. Dit verklaart ook waarom je vandaag in een Gaums dorp over opvallend brede straten loopt.
Restant van het prille ontstaan van
het dorp Gérouville: Olm uit 1258
De olm rond 1875
Douanekantoor
Villers, site van de oude watermolen
Sint-Gangulfus
Croix Jean de Paris
> Het huidige kruismonument staat er weer vredig gerestaureerd bij. Aan het Croix 'Jean de Paris' dus rechts en bij de GSM-antenne kort daarna links een grassig pad op, afgezoomd met veel veldbloemen 's zomers. Een strookje bos door tot een asfaltweg. Links hier, langs een voetbalveld om zo Gérouville te bereiken.
VOOR dit wat vervallen huis gaat de G.B. rechts over een breed maar toch amper zichtbaar pad.
> Even opletten bij dat kruis. De G.B. neemt hier een pad scherp rechts, dat wat overgroeid kan zijn ’s zomers. Dit pad loopt in de richting van een GSM-antenne om dan wat te dalen langs vijvers naar de verkeersweg N88 (Virton- Florenville). Even deze weg links op. Na de vijvers weer links een stijgend wegje op dat na een tijdje een wat vervallen, alleenstaand huis bereikt, gelegen op de grens met Frankrijk. De plaats is uitgerust om scoutsgroepen te ontvangen.
> Weer even opletten hier want op het eerste zicht lijkt er hier geen pad door te lopen. Je moet vlak voor het huis rechts, over een veldweg die mogelijk geheel overgroeid is 's zomers. Dit pad valt helemaal niet op. Verderop wordt de veldweg beter zichtbaar en hij bereikt na een tijdje de weg Limes-Avioth. Links hier. Een grenspaal, een blauw staatsbord en een oude douanepost vertellen je dat je hier weer Frankrijk binnen loopt, ter hoogte van het gehucht Fagny. Rechts aan het douanekantoor.
> Elders in Gérouville en langs de Gaume Buissonnière kan je nog een paar sierlijke deurlijsten zien en passeer je langs een oude wasplaats. In Gérouville vind je ondermeer een dorpswinkel en een café. La Gaume Buissonnière gaat links over de hoofdweg door het dorp om dan links-rechts de weg naar Sommethonne te volgen. Je komt langs een bron en een lavoir. De weg klimt wat naar een kruis: 'La Creux de Bois Toquel' werd opgericht in 1792. Mogelijk is het een vervanging in eigentijdse stijl van een ouder wegkruis dat ‘sneuvelde’
> Links van de weg een merkwaardig kruis, een croix d'occis. In oud Frans kan je lezen dat een zekere Nicolas Aubertin hier in 1671 het leven verloor bij een verkeersongeval in de stijl van die tijd: Hij is onder de wielen van een kar terecht gekomen!
Mathildebron
> We wandelen Margny weer uit richting België. Aan een brugje kom je weer op de grens terecht. De muurgevel van het grenshuis verraadt dat hier niet zo lang geleden nog een 'café Frontière' was. Op dit punt raakt de G.B. ook even aan het traject van de Transgaumaise®, zonder dit pad te volgen echter. Rechts hier en rechtdoor naar een volgend brugje, over de Marche.
> Over de in 2007 vernieuwde brug en naar links de grote weg Orval – Moiry op. La Gaume Buissonnière neemt de eerste straat rechts en wandelt dus niet door het centrum van Villers-devant-Orval.
> Eigenlijk een beetje zonde dat we niet dwars door Villers-devant-Orval wandelen, want het is best een mooi dorp. Behalve enkele praktische voorzieningen zoals een superette en enkele café's vind je in het centrum van het dorp ondermeer een voormalige watermolen en een mooie oude wasplaats. Boven die 'lavoir' van Villers-devant-Orval overkijkt, in een nis, Sint-Gangulfus (Saint-Gengoulf) het dorpsplein.
> Gewoonlijk heeft Gangulfus een bloemetje in de hand. Hoe dat komt en waarom deze man wordt vereerd lees je in het volgende - niet altijd even smakelijke - verhaal. De adellijke Gangulfus leefde in de 8ste eeuw in het dorp Varennes-sur-Amance. Hij was gekend als een nobel man met een goed hart, die ook de minderbedeelden van zijn streek ter hulp kwam. Zijn echtgenote, ook van adel, was heel wat minder vroom en trouw. Gangulfus was soms voor langere tijd uithuizig door als soldaat deel te nemen aan veldtochten van de Frankische koning Pepijn de Korte. Na één van die lange tochten ving hij bij zijn thuiskomst de roddel op dat zijn vrouw achter zijn rug aanpapte met één van de dienstbodes. Om de waarheid te achterhalen nam hij ze mee naar een afgelegen bron. Op deze rustige plaats vertelde Gangulfus haar wat hij gehoord had in het dorp. Zijn vrouw ontkende heftig. Gangulfus dacht even na en besliste dan om het oordeel over de waarheid over te laten aan God. In het water van de bron lag op de bodem een dikke kei. Hij stelde voor dat zijn vrouw de kei met haar hand van de bodem zou liften. Was ze vrij van zonde dan zou er niets gebeuren als ze de kei opnam uit het water, loog ze dan zou God op de één of andere wijze een negatief teken geven. De vrouw ging akkoord met deze 'Frankische leugendetector'. Ze stak haar hand in het water en reikte naar de kei. Meteen trok ze haar hand terug, gepijnigd door hevige brandwonden op haar arm. Voor Gangulfus was het duidelijk: Zijn vrouw was hem te kwader trouw. Hij scheidde van haar in plaats van haar te doden (zoals dat zijn recht was) en in al zijn goedheid liet hij haar de bruidschat behouden.
> Voor zijn schaamteloze ex-vrouw stond de deur nu open voor een intensere relatie met haar verborgen minnaar. De twee vertrouwden Gangulfus echter niet en verdachten hem er van wraakplannen te koesteren. Daarom kon hij maar beter uit de weg worden geruimd. Het duivelskoppel bespiedde een tijd de handel en wandel van Gangulfus en op een nacht brak de minnaar de slaapkamer van Gangulfus binnen. De kwaadaardige minnaar greep het zwaard dat naast het bed van de slapende Gangulfus lag en stak het in zijn lichaam. Gangulfus was zwaargewond, hij overleefde nog even, net lang genoeg om de Laatste Sacramenten te ontvangen, waarna hij stierf. Bij het vernemen van het nieuws van Gangulfus' dood maakte het duivelskoppel een vreugdedans. Plots kreeg de killer-minnaar echter hevige darmkrampen. Hij rende naar buiten en kreeg zo'n aanval van 'vliegend schijt' dat hij er compleet leeg door liep, stierf en naar de hel ging. Ondertussen groeide Gangulfus' graf zeer snel uit tot een bedevaartsoord. Aan zijn graf gebeurden immers talloze mirakels. Toen een dienster aan de ex van Gangulfus kwam vertellen over de wonderen die bij het graf gebeurden riep die uit: 'Als Gangulfus mirakels kan doen, dan kan mijn gat dat ook'. Van de slag begon de vrouw enorm lawaaierige winden te laten waarover ze geen controle had. Van toen af en tot aan haar dood zou de vrouw elke vrijdag als ze ook maar één woord wou spreken hard beginnen protten uit dat deel van haar lichaam waarmee ze de miraculeuze krachten van haar man had willen vergelijken...
> De cultus rond Sint-Gangulfus verspreidde zich snel en nu nog is hij de patroonheilige van parochies in Duitsland, Nederland, Frankrijk en België. Misschien is het niet zo verrassend te vernemen dat de heilige wordt aanroepen voor onder andere 'relatieproblemen'! In Villers-devant-Orval was vroeger een pelgrimsoord voor de verering van Sint-Gangulfus, door de aanwezigheid van een relikwie (voorarm). Ook het dorpsplein is naar de heilige genoemd. Van de processie op 11 mei (overlijdensdatum) is tegenwoordig nog enkel de dorpskermis overgebleven die plaats vindt op de 4de zondag na Paasmaandag. Op de daaropvolgende dinsdag wordt bij een korte plechtigheid met gezangen een ladder tegen de lavoir geplaatst. De eikenhouten Sint-Gangulfus, hier voorgesteld als vrome strijder, krijgt zo een vers boeketje (kunst)bloemen toegereikt.
Franse douane
> Officieel wonen er in Margny nog zo’n 165 mensen, dat is flink wat minder dan enkele decennia eerder. Margny kreeg het biezonder zwaar te verduren bij de Duitse invasie in augustus 1914. Het oprukkende Duitse leger stootte in de streek op zware tegenstand van het Franse leger. (Zie ook verder in dit verslag waar de G.B. in Rossignol passeert langs een Frans militair kerkhof.) Op 25 augustus wordt Margny veroverd. 18 mannen worden op een weide vastgehouden. Vanuit Orval besliste de generaal Albrecht de Wurtenburg dat Margny van de kaart moest worden geveegd en dat de hele dorpsbevolking (430 inwoners) moest worden geëxecuteerd. De volgende dag worden alle inwoners daarom gearresteerd. 16 mannen worden bij de al aangehouden 18 naar de weide gevoerd, 50 anderen worden in de kerk opgesloten en elders worden meer groepjes vast gehouden. In afwachting van het uitvoeringsbevel wordt in het dorp geplunderd en gebrand. Uiteindelijk beslist von Wurtenberg dat “maar” 1/10 van de bevolking moet worden geëxecuteerd. De mannen op de weide worden afgeslacht, daarbij worden er nog 9 aangevoerd om eveneens te worden vermoord. De waanzin van oorlog!
> Een wiskundig vastgesteld aantal van 43 mensen werden in Margny zonder pardon de dood in gejaagd. Moest Margny als grensdorp tonen aan de Fransen wat de Duitsers zouden doen als de Fransen verder weerstand boden? Was het uit wraak voor opgelopen verliezen, of was het blinde haat? Overal in België en Frankrijk zijn er dorpen waarvan de inwoners het ook zeer zwaar te verduren kregen en waar meedogenloos werd gemoord. Ook andere dorpen in de Gaume waar we langs kwamen of zullen gaan hebben allemaal hun tragedies. In Saint-Pancré (eerste etappe) bijvoorbeeld werden tijdens de Eerste Wereldoorlog inwoners met petroleum overgoten en levend verbrand en in Ethe alleen al werden maar liefst 277 inwoners vermoord in diezelfde hete augustusdagen.
Ruïnes van de oude cisterciënzerabdij van Orval
> De site van Orval vindt zijn oorsprong in de 11de eeuw, toen Benedictijnen er een nederzetting oprichtten en de omgeving ontgonnen. In 1131 werd er een Cisterciënzerabdij opgericht. Een brand verwoestte de gebouwen grondig in 1252. In 1637 zijn het de Franse troepen die de gebouwen in de as leggen. Pas vanaf 1759 wordt nogmaals aan de heropbouw van de abdij begonnen; naast de oude ruïnes. Helaas hebben de Cisterciënzers de tijdsgeest tegen als enkele jaren later de Franse Revolutie uitbreekt en hun eigendommen verbeurd worden verklaard en geplunderd. Opnieuw wordt Orval verlaten. Pas na de Eerste Wereldoorlog wordt er weer aan heropbouw gedacht. De nieuwe abdij wordt in de jaren '30 en '40 gebouwd, in een stijl die voor die tijd redelijk revolutionair is. Aan de ingang bevindt zich een 17 meter hoog Mariabeeld.
> Het is de ligging van de site, de mooie combinatie van de romantische ruïnes en de ‘nieuwe’ abdijgebouwen in gele steen die het geheel zo prachtig maken. Voeg daarbij nog de vervaardiging van ambachtelijke producten (kaas en bier) en meteen ook is de populariteit voor een bezoek aan de site verklaard. De abdijruïnes met museum, kruidentuin en oude apotheek zijn dagelijks te bezoeken voor enkele euro's.
> Aan de bron van Mathilde kan je je watervoorraad bijvullen. Aan deze bron, die al van in de Merovingische periode het middelpunt van de site vormt, is een legende verbonden. Toen Mathilde van Toscane in het dal haar trouwring verloor riep zij door gebed de hulp van God in. Spontaan sprong er aan de bron een forel uit het water met de bewuste gouden ring in zijn bek. Mathilde riep verrukt uit dat deze plaats voorwaar een gouden dal is (Val d’Or), vanwaar de naam Orval ontsproot. De forel is het logo van het abdijbier.
> La Gaume Buissonnière slaat dus voor het centrum van Villers rechts af en klimt tesamen met de Transgaumaise® naar een oud kruispunt bij een linde met kruisbeeld. Daar het onverharde stijgende wegje rechts op dat niet veel later overgaat in een smaller pad langs een weide en weer verbreedt als het door bos loopt. Door boskap waren hier en daar een paar tekens verdwenen, maar het is hier in feite een kwestievan het hoofdpad te volgen.
> Zo bereikt de G.B. het verkeerskruispunt op 300 meter van de abdijgebouwen van Orval.
Margny, voormalig volkscafé Lenoir
Margny, versterkte woning
Aan de grens tussen Margny en Villers-d/t-Orval
Onderweg naar Margny langs licht golvende velden
Sint-Gangulfus
Pad naar Orval
> Bij het binnenlopen van Margny aan een versterkt gebouw links naar de kerk. Bij de kerk is een café. Officieel is dit café gesloten sinds 2000. De vriendelijke oude mensen houden echter nog af en toe open voor trouwe klanten én voor de passerende G.B.-wandelaar! Inmiddels zijn we alweer enkele jaren later en bestaat het café haast zeker helemaal niet meer.
> Er volgen een aantal kms veldweg (voor een groot deel verhard) met mooie uitzichten over rollende velden. Voorbij een merkwaardig kruis nemen we de rechtertak, een pad dat we zullen volgen tot het dorpje Margny.
Gerestaureerde deurlijst in Gérouville
> De resten van de stam worden verkocht aan de Brusselse industrieel Lambiotte die de stronk verder laat uithollen om er een paviljoen in te maken, hij gebruikt de stronk ook als showstuk op tentoonstellingen in Brussel en Antwerpen. De familie Lambiotte, schenkt de olm terug aan de gemeente Gérouville in 1922, bijna 50 jaren later. De boom krijgt betonnen 'fakewortels': de oude knar wordt wat ‘gerepareerd’ met beton en voorzien van een strooien dakje.
> In 1985 brengt brand zware schade aan de boom en het 'hoedje' brandt weg. Mits wat ‘boomchirurgie’ staat hij in de 21 ste eeuw nog steeds fier te pronken in Gérouville. Bij slecht weer vind je er mogelijk een ideaal schuilhuisje in. Grappig is ook dat het grote dorpsplein waarop je je bevindt de 'Place de Tilleul' is ('Lindenplein'), een gevolg van het feit dat de inwoners van Gérouville naar de oude boom refereerden als een linde en niet als een olm. In 2008 was de olm uiteraard het symbool bij uitstek om het 750-jarig bestaan van Gérouville te vieren. De stronk heeft inmiddels verschillende branden, vandalisme en natuurlijke aanvallen door mos, klimop en insekten en weer en wind overleefd. Hij was dringend toe aan restauratie, in 2014 kon de de 'vernieuwde' olm worden ingehuldigd.
Croix de la Petite Fin
> Het wegje houdt even hoogte, daarbij heb je zichten over het verdere padverloop. Aan de overkant van de Ton-vallei zie je al Montquintin liggen, hoog op een heuvel en het wegje waarover La Gaume Buissonnière dit hooggelegen dorp zal bereiken.
> Hoewel er wisselvallig weer is voorspeld is het toch aangenaam wandelweer. Is er dan toch iets waar van het zogenaamde microklimaat waarin Torgny ligt? Een beetje zwoel maar toch niet te warm. Stevig dalen nu naar de de vallei van de Ton waarin Lamorteau sluimert. In de vallei even rechts-links en langs de kerk.
> Het Croix de la Petite Fin staat hier sinds 1782. Eeuwenlang vormde het wegje waarover de G.B. loopt de enige toegangsweg tot Torgny vanuit Lamorteau. Op deze plaats lag de grens tussen deze twee dorpen, gemarkeerd met dit oude wegkruis.
Gaume Buissonnière (225 km)