> Als je na de tunnel van de Saint-Médard de geasfalteerde Rue du Babinay (N824) hebt bereikt zou je verwachten hier over of onder een brug te lopen. Spoorlijn 163A had immers over het hele Belgische traject geen enkele overweg! Geen brug te zien echter. Hoe kruiste het spoor dan deze weg en hoe wandel je verder over de spoorweg? Na wat onderzoek is de situatie duidelijk geworden, zie de luchtfoto en de verklaring hieronder.
Startpagina > Wandelen > Spoorlijn 163A
3. Van Saint-Médard naar Pont de La Blanche (1,7 km).
Zie ook het railbook
> Aan de N824 wandel je dus even rechts om na 30 meter dadelijk scherp links een onverhard pad te nemen. Hou steeds de N824 links van je.
> Hier wandel je even niet op de eigenlijke spoorbedding, deze ligt ingegraven links tussen de N824 en het pad waar je over loopt. Amper 300 meter verder draai je links om dadelijk rechts verder te wandelen over het oude spoor. Het pad loopt nu door stroken met nogal dicht bos. Hoewel je over een onverhard pad wandelt, is het hele traject tot voorbij Herbeumont ook makkelijk te fietsen.
viaduct Maurépire
la voie des pierres qui parlent
> Deze wandeling van 6,9 volgt getrouw spoorlijn 163A tot Herbeumont en valt dus samen met onze spoortracking in dezelfde richting.
> Dit recreatieve pad voor wandelaars, ruiters en fietsers 'La voie des pierres qui parlent' is een concreet resultaat van een breder project onder de naam 'Au fil de la Pierre'. Sinds 2003 werken de gemeentelijke overheden van Bertrix, Herbeumont, Libin en Saint-Hubert in een cel die financieel wordt ondersteund door het Europese fonds voor plattelandsontwikkeling Leader+ en de Waalse overheid. Er werd ook samengewerkt en vergaderd met de toeristische diensten van de regio en met privé-partners waaronder de eigenaars van de leisteengroeve van Herbeumont en de museummijn 'Au coeur de l'Ardoise' (zie lager). Stevige rugwind kreeg dit initiatief ook van Valbois RN, een vereniging die het gebruik van natuurlijke materialen promoot , met name hout en natuursteen.
> 'La Voie des pierres qui parlent' werd uitgewerkt in 2005. Het pad wil de wandelaar kennis laten maken met de boeiende geschiedenis van de leisteenontginning in de vallei van de Aise. Spoorlijn 163A vomt hiervoor de rode draad. Langs het traject tussen het voormalige station van Orgeo-Ardoisières en dat van Herbeumont werden 8 'menhirs' geplaatst, enorme monolietblokken van schist, waarop infoborden werden geplaatst die in het kort geschiedenis, natuur, geologie en mijnontginning langs spoorlijn 163A verklaren. Die schistblokken werden geleverd door, hoe kan het anders, de Ardoisières d'Herbeumont. De omgeving rond de tunnel van Linglé werd beter toegankelijk gemaakt (de zuidelijke tunneltoegang was nogal dicht gegroeid) en er werden enkele picknickbanken geplaatst, waarvan één eveneens in schist en gelegen bij het vertrek in Orgeo-Ardoisières. Behalve het spoorlijntraject wordt de recreant ook uitgenodigd om kennis te maken met een paar dorpen van Bertrix waar natuursteen nog nadrukkelijk aanwezig is in de architectuur van oude woningen: Cugnon en Mortehan, gelegen op 1 km van spoorlijn.
> Op 21 september 2006 werd 'La voie des pierres quie parlent' officieel ingewandeld, waarbij de burgemeesters van Bertrix en Herbeumont de eerste en de laatste schiststeen langs het traject onthulden. De kosten van dit project beliepen 67.000 €, inclusief 25.000 € aan uitrusting en 2.340 € voor promotie. Zo hard als leisteen is, zo zacht werd de uitvoering van dit project aangepakt: Met respect voor de omgeving werd gekozen om hier geen asfalt te storten op de oude bedding, je wandelt over een vrij natuurlijk verharde bodem, niet over beton of asfalt. Aldus is 'het spoor van de sprekende stenen' een toonvoorbeeld van een mooi uitgewerkt recreatief project. Meer info: La voie des pierres qui parlent.
> Ter hoogte van de oude stationssite van Orgeo-Ardoisières kan je naar links even tot de N824 wandelen. Links op die weg liggen nog vervallen gebouwen van de oude mijnexploitatie van Babinay evenals een paar gerenoveerde huisjes waarvan zowel dak als gevels met leischalie zijn bedekt. Hier ook is en halte van bus 163a (halte 'ardoisière'). Aan de overkant van de weg ligt een recent opnieuw in gebruik genomen leisteenmijn. De enige werkende mijn in de vallei van de Aise, de exploitatie is bovengronds en toegespitst op siersteen. (Zie tekstvak hieronder)
Au coeur de l'ardoise
Spoorbedding richting Pont de La Blanche
Vervallen mijngebouwen van 'La Grande Babinay'
Station Saint-Médard, niet langs spoor 163A, maar langs 165. (Foto Duparque)
Orgeo-Ardoisières, oude laadkaai
De spoorlijn loopt boven de kleine Pont du Bannetai.
ardoisières d'Herbeumont
leisteen Ardennen leischalie
Scailton te Babinay (foto Nels)
viaduc Maurépire
Babinay: Infobord langs de N824 maakt toeristen attent op het nabijgelegen startpunt van het 6,9 km lange spoorpad 'La voie des pierres qui parlent'
Ardoisières d'Herbeumont
ondergrondse leisteengroeve
> Een bezoek aan de ondergrondse steengroeve ‘au coeur de l’ardoise’ (‘het hart van de leisteen’), op amper 100 meter van spoorlijn 163A is absoluut de moeite waard. Groepen kunnen er een gegidst bezoek krijgen, maar ook als solobezoeker kan je probleemloos op eigen houtje afdalen in de leisteenmijn voor een ondergrondse rondwandeling. Je kan dan eventueel gebruik maken van het zelfgidsend audiosysteem (in verschillende talen) langs een verlicht parcours. Helmen zijn voorzien, kleed je wel op temperaturen die constant rond 10° schommelen. Bezoek duurt ongeveer een uur, daarbij daal je over een metalen trap naar
> Spoorlijn 163A bereikt aan de andere kant van de tunnel van St-Médard de vallei van de Aise. De volgende kilometers trekken we via het spoor door een bebost gebied waar het ooit overal onder- en bovengronds gonsde van de mijnbouw.
> De smalle spoorbedding gaat over in een breder pad en bereikt een open ruimte. Amper te herkennen maar hier lag het treinstation Orgeo-Ardoisières. Enkel een oude kaaimuur en een gekasseide toegangsweg herinneren nog aan de glorietijd toen hier de afgewerkte leisteenprodukten uit de nabijgelegen groeven wachtten om in een cargowagon te worden geladen. Van een stationnetje ten behoeve van de pendelende arbeiders is geen spoor meer.
> 150 meter verder loop je over het spoorbrugje 'Pont du Bannetai', waarvan de originele gietijzeren reling nog is bewaard. Onder de brug loopt een boswegje, waarlangs je in juli de balancerende knalgele kelkjes van groot springzaad ziet.
> We zijn hier midden in het oude gebied van leisteenontginning terecht gekomen, de vallei van de Aise stond in het begin van de 20ste eeuw bekend als 'de vallei van de leisteengroeven'
> Verder over spoorlijn 163A, het begin van een biezonder aangenaam wandelstuk. Je volgt maar de 8 'menhirs' van 'la voie des pierres qui parlent'. Over de vrij brede bedding wandel je 400 meter verder tot de tweede 'menhir', geplaatst bij de Pont de La Blanche. We zijn gearriveerd bij de eerste van 3 viaducten op het spoortraject. Vind bij het einde van dit eerste viaduct op spoorlijn 163A aan je linkerzijde een paadje waarover je kan afdalen naar het niveau van de asfaltweg N884. Busstop bus 163a.
> Het loont de moeite om hier alweer de spoorlijn te verlaten, niet enkel om het viaduct langs onder te zien, maar vlakbij ligt ook het mijnmuseum van Morépire 'Au coeur de l'ardoise'.
> Update mei 2011. Het is niet meer mogelijk om gebruik te maken van ringen en beschermingslatten die aan het de Pont de La Blanche waren bevestigd om te rapellen. Deze zijn weggenomen of doorbroken. Update maart 2012: Er zijn opnieuw rappelringen.
Ardoisières d’Herbeumont
> Het viaduct van Morépire wordt in de volksmond de Pont de La Blanche genoemd. 'La Blanche' verwijst hier niet naar een beek of riviertje dat door dit viaduct wordt overbrugd. 'La Blanche' was de naam of bijnaam van een vrouw die op de plaats waar het viaduct nu ligt een cafeetje had. De scailtons uit de leisteengroeven gingen na een zware werkdag onder de grond het mijnstof 'wegspoelen' bij La Blanche. Dat café bestaat al lang niet meer, het verdween mogelijk al bij de aanleg van het viaduct in 1909.
Domaine de La Morépire – Au Coeur de l’Ardoise
> Hiermee zijn we dus letterlijk in het hart van de leisteenvallei beland. Op de volgende pagina sporen we weer verder, 6 kilometer is het tot Herbeumont, een traject over 8 bruggen en door 1 tunnel en vooral door een prachtige natuur. Lees verder....
De vallei van de leisteengroeven
Pont de La Blanche (Viaduct van Morépire)
> We pikken de draad weer op bij het gedeeltelijk gekasseide stationsterrein van Orgeo-Ardoisières. De grote oppervlakte van het station van Orgeo-Ardoisières had natuurlijk alles te maken met opslagruimte voor de afgewerkte leisteenprodukten. Tegenwoordig wordt het terrein enkel nog gebruikt als verzamelplaats voor gekapte bomen uit de omliggende bossen. Ter hoogte van de kasseiweg staat sinds 2006 een picknickbank in schist en vlakbij staat een eerste monolietrots met infobord over 'het spoor van de sprekende stenen':
een diepte van -25 meter. Een ondergrondse wandeling door de voor bezoekers wat aangepaste mijngalerijen geeft een goed beeld van de zware werkcondities waarin de ‘scailtons’ (leisteenarbeiders) werkten ondergonds. Voorafgaand aan je bezoek kan je een video bekijken van 22 minuten, een uitstekende introductie.
> In de naam 'Morepire' herken je 'maure' (zwart) en 'pierre' (steen), uiteraard verwijzend naar schiststeen. De mijn van Morépire ging in 1889 in ontginning. Er werd op 3 niveaus ontgonnen: -25, -45 en -60 meter. Herstructurering en
Babinay
> Het viaduct overspant een vallei waaronder de beek Aise stroomt, op een plaats waar haar loop, die uit noordelijk richting komt, een bocht van 90° maakt naar het westen. Hier ook komen van oudsher twee wegen samen: In westelijke en noordelijke richting de N884 (Herbeumont - Bertrix), in oostelijke richting de N824 Pont de la Blanche - Saint-Médard. Dat kruispunt ligt er nog steeds maar de brug waar de treinstellen van spoorlijn 163A over rolden is niet de originele.
> Een eerste viaduct, grotendeels in baksteen opgetrokken en met 7 boogoverspanningen werd gebouwd in 1909. In 1944 werd dit viaduct gedeeltelijk vernield door de Nazi's op aftocht. Hierdoor was er uiteraard niet langer treinverkeer mogelijk. Het zou de doodsteek van spoorlijn 163A hebben betekend, was het niet dat in die tijd Eerste Minister van België Hubert Pierlot was, eigenaar van de leisteengroeven vlakbij de Pont de La Blanche. De huidige brug telt acht bogen, ééntje meer dus dan de originele. Ze werd gebouwd vanaf 1946, waarna het treinverkeer in 1949 tot Muno weer kon worden hernomen. Zie ook bij de geschiedenis van spoorlijn 163A.
> De ontsluiting van de leisteengroeven is dé reden waarom de loop van spoorlijn 163A in zo'n grote bocht door het landschap worstelt. De oude spoorbedding vormt vandaag een biezonder aangenaam wandeltraject vol sporen en herinneringen aan die oude leisteengroeven.
Groot springzaad (Impatiens noli-tangere)
Foto genomen rond 1905, kort voor de aanleg van het zevenbogige spoorviaduct. De brug hebben we uiteraard zelf gesimuleerd. De gebouwen links op de foto verdwenen bij de aanleg van het viaduct. Was daar het caféetje van La Blanche gevestigd? De brug was symmetrisch opgebouwd met gelijke bogen links en rechts van de hoofdboog die niet boven de weg liep, maar boven de Aisebeek. Het spoortje helemaal op de voorgrond was wellicht een lokale werklijn van de leisteengroeve Morépire. Rechts een beektunneltje van de Aise. De weg noordelijk en onder de (toekomstige) brug lopend is de N884 richting Bertrix. Dit wegenkruispunt is vandaag eigenlijk nog hetzelfde. (originele foto Nels)
groot springzaad
In april-mei bloeit brem langs spoor 163A
Scailtons poserend bij het eindwerk van hun harde arbeid: Schalie (foto Nels)
Picknickbank in schist
Huis bedekt met leischalie ter hoogte van de oude mijn van La Grande Babinay
> De geschiedenis van leisteenontginning in de vallei van de Aise gaat terug tot minstens de 13de eeuw. Het waren in die tijd vooral abdijen die als machtscentra aktief land- en mijnbouw organiseerden. Zo hadden hier in de loop der eeuwen zowel de abdijen van Orval als die van Saint-Hubert hun eigen mijnontginning. Het grootste aantal steengroeven werd echter gewoon gemeenschappelijk geëxploiteerd door de lokale bevolking van de streek, waardoor uit eerste hand kon worden voorzien in bouwmateriaal voor woningen en stallen. Van commerciële uitbating was er in die tijd niet echt sprake. Er werd vooral bovengronds uitgegraven of op beperkte diepte en de ontginning was eerder kleinschalig.
Handenschuddende burgemeesters van Herbeumont (links) en Bertrix (rechts) bij de opening van 'La voie des pierres quie parlent' op 21 september 2006. (Foto Réseau GAL)
viaduc Morépire
Oude spoorbedding lijn 163A,
nu 'voie des pierres qui parlent'.
Foto genomen in juli 1909. Het viaduct van Maurépire is in de eindfase van de bouw. Meer foto's van de bouw kan je zien op de pagina over de geschiedenis van de spoorlijn. (foto Lenzen)
> Eind 17de eeuw ontstaat leisteenwinning op grotere schaal op een uitgerekte site met verscheidene putten die als 'Les Anciennes Carrières' bekend staat (gelegen in de domeinbossen van Herbeumont). Midden 18de eeuw bereikt men hier zelfs een jaarlijkse produktie boven 5 miljoen schaliën.
> Pas in de 19de eeuw, tijdens de opkomst van het industriële tijdperk, nam de mijnontginning vooral ondergronds een 'hoge vlucht'. Tijdens het tweede deel van de 19de eeuw waren hier in de mijnen tussen Bertrix en Herbeumont meer dan 500 arbeiders ('scailtons') tewerkgesteld, resulterend in een output van zowat 20 miljoen bruikbare stenen per jaar. Het was zwaar werk, erg belastend voor rug (stenen van wel 50 kilo werden door de scailtons uit de ontginningszalen op de rug gedragen) en longen (mijnstof).
> Rond 1900 bereiken de aktiviteiten rond mijnontginning hier een hoogtepunt, wat ook de vraag vanwege de lokale industriëlen veklaart in die periode om het gebied te ontsluiten door het modetransportmiddel van die tijd, de trein. Spoorlijn 163A wordt hier rond 1906 doorgetrokken.
> Na de Eerste Wereldoorlog sluit de éne mijn na de andere. Andere bouwmaterialen komen in de mode en verbeterd wegtransport zet de markt open voor sterkere internationale concurrentie. Met name de toevoer van goedkope Spaanse leien is
dodelijk voor het overleven van de mijnen in de vallei van de Aise. In 1977 sluit de leisteenmijn van Morépire als laatste de ondergrondse galerijen.
> Sinds eind jaren ’70 was alle mijnaktiviteit tussen Bertrix en Herbeumont gestaakt. De mijn ‘La Grande Babinay’ sloot al in 1957. In België werd eind jaren '90 nog enkel leisteen ontgonnen in de ondergrondse mijn van Warmifontaine (gelegen tussen Saint-Médard en Neufchâteau).
> In 1998 erft Benoit Pierlot (afstammeling van de Pierlot-familie die al sinds de 19de eeuw nauw bij leisteenontginning is betrokken) ‘La Grande Babinay’ van zijn overleden vader. Tesamen met ingenieur Michel Bouvy onderzoekt hij de mogelijkheden om de mijn opnieuw te openen. Ondergrondse exploitatie, zoals tussen 1876 en 1957, lijkt geen optie, omwille van de hoge kosten. De ontginning wordt helemaal anders aangepakt. Waar vroeger de hardste steen werd gegraven op een diepte tot -100 meter en de produktie bijna volledig op schalie voor dakbedekking was gericht wordt nu de kwaliteit van de oppervlaktelaag onderzocht. Deze minder harde steen levert maar een 3 % bruikbare steen van hoge kwaliteit op, bruikbaar voor schaliën. Veel te weinig.
> De 2 ondernemers besluiten zich te focussen op de produktie van siersteen voor diverse toepassingen, zowel binnenshuis als buitenshuis. Vanaf 1999 wordt de huidige site helemaal klaargemaakt om tot ontginning over te gaan. Oude steenterrils worden weggegraven om bij de lagen te raken, materiaal wordt aangevoerd uit de gesloten mijn van Martelange-Rombach. Vanaf 2005 draait de nieuwe ardoisière d’Herbeumont op volle capaciteit. Jaarlijks wordt er nu zo’n 15.000 m3 verkoopbare steen geproduceerd. Een tiental arbeiders verrichten ter plaatse arbeid die vooral machinaal wordt uitgevoerd. De tijd dat mens en paard hier met zware leisteenblokken sleurden behoort definitief tot de geschiedenis.
> Les ardoisières d'Herbeumont staat nog steeds onder de leiding van de tandem Pierlot - Bouvy waarbij Pierlot vooral de commerciële en administratieve taak op zich neemt terwijl Bouvy als deskundige in explosieven de man is op het terrein. Ter plaatse wordt de ontgonnen steen dadelijk gesorteerd met het oog op het bedoelde eindprodukt. Er wordt erg klantgericht gewerkt, met produkten die variëren van grote monolietblokken tot dunne leischalie, waarbij de steen gezaagd of gespleten wordt. De produktie van leischaliën voor daken, waarop de oude mijnontginning hier volledig was gericht, is zeer beperkt in de open mijnontginning van vandaag. Door die diversicatie en zorgvuldige sortering kan tot 80 % van de ontgonnen steen worden verkocht in allerlei vormen: Plaveien, muurdecoratie tot zelfs grafstenen.
> Pyriet (zwavelijzer) kleurt de schiste van Herbeumont wat bruin-goudkleurig. De aanwezigheid van pyriet in gesteente wordt door groeve-exploitanten meestal niet geapprecieerd maar voor de leisteen van Herbeumont betekent het eerder een toegevoegde waarde. Die verkleuring geeft aan de leisteen immers een rustiek en warmer karakter, gegeerd voor siersteen. Om de leisteen van Herbeumont bekend te maken voerde Benoit Pierlot een aktief promotiebeleid: Ondermeer deelname aan beurzen en directe mailing naar landschaps- en binnenhuisarchitecten hebben Herbeumont als centrum van de leisteen weer op de kaart gezet tot buiten de landsgrenzen.
> De leisteengroeve van Herbeumont is de enige plaats in België waar nog leisteen in openlucht wordt ontgonnen, dat dankzij een gedurfde en doordachte aanpak. Ardoisières d'Herbeumont.
Pont de La Blanche
Afgewerkte Pont de La Blanche in 1912, wachtend op de openstelling van spoorlijn 163A in 1914. (foto Lenzen)
Pont de La Blanche rond 1950 - nieuwe brug (foto Préaux)
La voie des pierres qui parlent
Het spoor van de sprekende stenen
> Leisteen vindt zijn oorsprong in afgezette kleilagen tijdens het primaire tijdvak (zo'n 300 miljoen jaren geleden). Afzettingen van nieuwe lagen sedimentair gesteente veroorzaakten druk op deze oude kleilagen, waardoor het water er werd uitgeperst en verharding ontstond. Verschuiving van tektonische platen gaf het ontstane gesteente zijn 'fijngelaagde structuur', de mogelijkheid biedend om deze steen vlot te splitsen in bijna bladerdunne lagen.
> Een goede laag bevat leisteen met een effen breukpatroon, splijt vlot, breekt niet bij doorboring en moet waterdicht zijn. Die ondoorlaatbaarheid van water en de dunne splijtmogelijkheid verklaren het succes van leisteen voor dakschalie.
> De beste lagen liggen vaak wat dieper, waar verstoring door ander gesteente beperkter was.
Pont de La Blanche in 2006 in een winters landschap
Mijngalerij in La Morépire: Leisteen is in feite
300 miljoen jaar oude (versteende) kleimodder.
Op de plaats waar je de N824 bereikt na de passage door de tunnel van Saint-Médard lag vroeger een spoorbrug (blauw). De N824 (blauw) kruiste hier de spoorlijn boven de bedding. Na het opbreken van spoorlijn 163A in 1972 werd rond 1980 de brug afgebroken om een scherpe dubbele bocht uit de N824 te werken. Daarbij werd ter hoogte van die afgebroken brug ook de spoorbedding dichtgegooid. Door verbreding van de weg blijft van de spoorbedding oostelijk nog enkel een overgroeide geul over, amper herkenbaar als spoorbedding. Om te vervolgen over de spoorweg moeten we even rechts - links uitwijken om dan over 300 meter een parallelwegje te nemen.
(Met dank aan Dorylus voor het uitklaren van dit mysterie via een oude stafkaart uit 1968.)
Hieronder een foto uit ongeveer 1905 van die bewuste brug waar de spoorlijn dus de weg inferieur kruist. Zoals je zelf kan zien werd ze 'scheef' gebouwd over de spoorbedding. (foto Lenzen)









Scailtons in de mijnen van de Aisevallei aan het werk: Grote blokken worden in dikke schollen uit de leisteenlagen gehaald om dan op de rug uit de mijnschacht te worden gedragen voor verdere bewerking. (foto Nels)
samenwerking met de mijnen van Martelange (langs het Ardennen-Eifelpad) en Warmifontaine in de jaren ’70 van vorige eeuw konden niet verhelpen dat uiteindelijk op 19 augustus 1977 alle leisteenontginning definitief stopte. Bijna 20 jaren later, op 5 april 1997 ging de mijn van Morépire opnieuw open, ditmaal enkel voor toeristische en educatieve doeleinden.
> De heropenstelling en toeristische uitbating van de oude leisteenmijn is er gekomen dankzij de bewonderenswaardige gedrevenheid van Yves Crul en zijn medewerkers. Het is niet evident om een mijn die jarenlang gesloten was te heropenen en de oude galerijen op een veilige en aantrekkelijke manier toegankelijk te maken voor toeristische bezoeken. Ondanks tegenslagen, zoals problemen met de dure kabellift en beperkte financiële slagkracht, slaagt Yves Crul er al 10 jaar in om bezoekers te laten kennismaken met de oude mijnontginning. Ontwikkeling van creatieve nevenaktiviteiten en zorgvuldige kostenafweging houdt het project boven water. Zo kan je bvb met een groep gastronomisch dineren met streekprodukten in het unieke kader van een ondergrondse leisteenzaal. Er werd ook in zee gegaan met een outdoororganisatie (deathride, rapellen,...). Voor schoolgroepen zijn er interactieve aktiviteiten en er worden themadagen georganiseerd. Ter plaatse kan je er een snack verkrijgen of een drankje nuttigen.
> Meer info over openingsuren en aktiviteiten op de website van ‘au coeur de l’ardoise’. Yves Crul is ook een ‘goudmijn’ voor al je vragen over de regionale geschiedenis. Wat Yves en zijn groep van vrijwillige medewerkers hier met vallen en opstaan en vooral veel doorzetting hebben gerealiseerd is bewonderenswaardig. Dankzij hun harde werk kan je ook in de 21ste eeuw kennis maken met de vervlogen tijd toen in de vallei van de Aise tussen Bertrix en Herbeumont massaal ‘zwart goud’ in de vorm van leisteen werd opgedolven. Niet te missen.
La Morépire rond 1910, mijnateliers. Rechts de huidige N884. (foto Nels)
> Verborgen links in de bossen langs de N824 op 100 meter richting Herbeumont liggen nog ruïnes en vijvers die tot de leisteenontginning van Petite Babinay hoorden.
Saint-Médard, Babinay rond 1900

> Groot springzaad groeit tot 1 meter hoog en houdt van een vochtige, schaduwrijke bosomgeving. Als de gele kelkjes verwelken vormen ze zaaddozen die bij rijpheid openspringen en zo hun zaad metersver verspreiden, vandaar de naam. De Latijnse naam 'Impatiens noli-tangere' vat het leuker samen: 'Noli-tangere' betekent 'roer-me-niet' (...of ik spring open...).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rail tracking: Spoor 163A (35 km)