Startpagina > Wandelen > Spoorlijn 163A
Kunstwerken op de spoorlijn
Bruggen en viaducten
Ingenieur Edmond Foulon
Tunnels
Aquaducten
> Er circuleren allerlei cijfers over het aantal bruggen op lijn 163A: na grondige verkenning ter plaatse en studie van oudere kaarten kom ik op een totaal van 27 bruggen (incl viaducten) voor het Belgische deel. Tel je daar nog de brug bij in de buurt van Y Orgeo, die eigenlijk tot lijn 165 behoort, dan heb je er 28.
> Van die oorspronkelijke 27 bruggen zijn er nu nog 25 over. Bij de gesloten leisteenmijn 'Petite Babinay' is door aanpassing van de N824 (jaren '80?) een brug afgebroken (nr 5), ook bekend als Pont 15. In Sainte-Cécile is de brug over de weg Florenville - Bouillon (nr 21) afgebroken voor wegverbreding.
> Twee bruggen zijn niet de originele omwille van oorlogsgeweld, ze werden heropgebouwd of hersteld kort na WO II. Dat is het geval voor Pont de La Blanche (nr 7) en de brug over de Rue de Muno (nr 20) te Sainte-Cécile.
> Drie van de 27 bruggen zijn meerbogig (viaducten): Pont de La Blanche (Maurépire) - 8 bogen - 133 meter (nr 7), viaduct Conques - 7 bogen - 150 meter (nr 17), Muno (Le Grand Pont) - 3 bogen - 73 meter (nr 26). Ook de brug van La Sire (nr 22) telt in feite 3 bogen, maar ziet er toch eerder een brug uit.
> Het viaduct van Conques (nr 17) is ontegensprekelijk het spectaculairste, omwille van de hoogte (38 meter) en de mooie setting in de Semoisvallei. Er wordt gezegd dat er 9 miljoen bakstenen in het kunstwerk zitten. Er werd twee jaren aan gebouwd.
> Achter al de bouwwerken van het volledige Belgische spoordeel van L163a schuilt één ingenieur die zowat alles uittekende, de viaducten, tunnels en vele bruggen maar ook alle kleinere bouwwerken op en langs de spoorlijn van Bertrix naar Muno. Zijn naam: Edmond Foulon (1868 - 1944), afkomstig uit de buitenwijken van Charleroi, te Roux. Hij studeerde af aan de universiteit van Gent als briljant burgerlijk ingenieur en kwam in 1892 als bouwmeester-ingenieur in dienst van de Belgische Spoorwegen. Het spoornet was in die tijd nog volop in ontwikkeling en Foulon zou de komende decennia een stevige hand hebben in de verdere uitrol van spoorlijnen. Zowat zijn hele ingenieurscarrière (tot 1933) stond immers in dienst van de spoorlijnen.
> Met de lijn van Bertrix naar Muno moet hij alvast heel wat opmeet- en tekenwerk hebben gehad, gezien de vele obstructies en de moeilijke omgeving om een spoor door te trekken. Zowat alle blauwdrukontwerpen komen dus van zijn tekentafel. Het was ook een periode waarin toepassingen van gewapend beton nog net niet algemene ingang hadden gevonden. De ontwerpen van Foulon waren dus op vrij traditionele basis, er werd vooral gebouwd met natuur- en baksteen. Edmond Foulon overleed in Brussel in 1944. Te Roux, zijn geboorteplaats werd een straat naar hem genoemd...uiteraard gelegen bij een spoorlijn en spoorbrug...
Belgische lijn 163A Bertrix - Muno
> Slechts 2 bruggen (nrs 28, 29), ze zijn architecturaal niet waardevol. De spoorlijn kruist in beide gevallen inferieur.
> Stations langs het Franse deel zijn afgebroken te Messempré-Messincourt en Osnes-Pure. Het oorspronkelijke reizigersstation van Carignan-West is sinds lang een bedrijfsgebouw. Het terminusstation van Carignan is nog in gebruik voor verkeer langs de spoorweg Reims - Longwy.
> Sporen en signalisatie zijn er nog, de lijn was immers nog in gebruik tot 2009, inclusief een viertal aftakkingen naar bedrijven langs de spoorlijn.
Franse lijn 19/3 Messempré - Carignan
> Over 20 van de 27 bruggen loopt de spoorweg superieur. Brugtype is dan vaak in hoefijzervorm, met name bij kruisingen met kleine wegen (vb nrs 2, 3, 8, 10, 24).
Over slechts 7 van de 27 bruggen loopt de spoorweg inferieur tov de weg. Populairste brugtype in dit geval is een brede boogoverspanning (vb nrs 1, 4, 5, 22, 23).
> Bouwmateriaal voor de bruggen is grijze kalksteen voor de zijmuren, fundamenten en randen, baksteen voor gewelven. Bruggen met bredere boogoverspanning en viaducten zijn bijna volledig uit baksteen opgetrokken, kalksteenblokken dienen hier meestal enkel voor afwerking en esthetiek van de brugranden en borstweringen.
> Hier is mijn 'persoonlijke top 5' van mooiste bruggen op spoorlijn 163A:

1. Viaduct Conques over de Semois. (nr 17)
2. Viaduct Maurépire (Pont de La Blanche). (nr 7)
3. Brug onder de Rue du Château te Herbeumont. (nr 15)
4. Pont du Vieux Pasay (de La Maljoyeuse). (nr 9)
5. Pont des Roches. (nr 24)
> Saint-Médard: Tussen de vallei van Vierre en de vallei van de Aise, 675 meter lengte, draait licht.
Staat: Redelijk goed, zuideinde onderwater. Moeilijk bereikbaar maar niet onbereikbaar.
> Linglé: Tussen de vallei van de Aise en de vallei van de Semois, 250 meter, draait licht, privé-bezit.
Staat: Vrij goed.
> Conques: Onder de wouden van Conques en Sainte-Cécile, 1350 meter lang, kaarsrecht, officieel afgesloten sinds 2004.
Staat: Slecht, lijdt onder sterke waterinsijpeling en afbrokkeling van het bakstenen gewelf.

De tunnels zijn 9 meter breed en 4,5 meter hoog.
> De spoorlijn is ondertunneld met 31 - meestal onopvallende - aquaducten om afvoer van beekwater mogelijk te maken. De grootte van die aquaducten varieert van een kleine pijp tot een gang van meer dan een meter hoogte. Soms hebben spoorbruggen niet enkel een inferieure wegkruising maar op een tweede niveau onder de weg ook een aqueduct (vb Pont des Roches nr 24). Idem voor de tunnels.
> Vreemd genoeg telt de spoorlijn ook een superieur aquaduct - eigenlijk een gekanaliseerde beek - boven de zuidelijke ingang van de tunnel van Ste-Cécile. Die beek wordt op haar beurt boven de tunnel nog eens superieur gekruist met een brugje van een bospad.
Divers
> Sierlijke gietijzeren brugrelingen op de bruggen van Wilbeauroche, Longue Roye en Rue de Bravy.
> Muurversterkingen en steunberen, met name in het station van Muno en langs de passage bij Herbeumont-centrum.
> Resten van electriciteitslijnen zijn niet van de spoorlijn, 163A werd nooit geëlectrificeerd, de tunnels deden wel dienst voor electriciteitslijnen.
> Stationsgebouwen op het Belgische deel zijn allen afgebroken: de lijn telde 6 halteplaatsen: Orgéo-Gribomont, Orgéo-Ardoisières, Cugnon-Mortehan, Ste-Cécile en Muno. Enkel in Cugnon-Mortehan en in Muno hebben stationsgebouwen gestaan. In de andere stations ging het meestal over niet meer dan een 'abri'of een houten barak, ondanks dat de grootte van sommige stationssites (bvb Herbeumont) anders zou doen vermoeden.
> Sporen en dwarsliggers op het Belgische deel zijn begin jaren '70 opgebroken. Te Sainte-Cécile ligt nog een noodbrug met dwarsliggers ter hoogte van de Rue de Muno.
> Signalisatie is volledig verdwenen.
Industrieel patrimonium
> Ten zuiden van Bertrix, langs L165, lag in de jaren '00 en '10 een treindepôt met onderhoudsinstallaties voor zowel diesel- als stoomlocomotieven te vervallen. Ter plaatse stonden ook nog enkele autorailvoertuigen te roesten. De laatste treinstellen werden hier tot schroot herleid in 2010 en vanaf 2017 werden ook de gebouwen afgebroken om plaats te maken voor industrie- en woongebied.
> Om de stoomlocomotieven te voorzien van water stonden er watertorens bij de stations van Sainte-Cécile en Muno. Ook laadmallen en weegbruggen waren er maar zowat alles is al lang afgebroken. Te Muno kun je vandaag nog wel de site van de watertoren en de plaats van de 'plaque tournante' bekijken. Ter hoogte van Roche à l'Appel liggen in de buurt van de spoorlijn nog enorme betonblokken in het bos die dienden als fundament voor de heiskranen die ballaststeen verplaatsten voor de aanleg van de spoorlijn.
Le Grand Pont te Muno (73 m), een kopie van de Fraiteurbrug te Elsene.
Brugreling in Art Nouveau-stijl
Herbeumont, steunmuur voor
het bovengelegen kerkhof
Aquduct van 1,5 m hoogte
(Foto © Sander Vancanneyt)
Tunnel Linglé

 

 

 

 

 

 

 

 

Rail tracking: Spoor 163A (35 km)